Met de gezondheid is het zoals met het geld

Met de gezondheid is het zoals met het geld. Als we naar geld streven om het voor menslievende doeleinden te hebben, dan is het iets heilzaams, iets goeds. Het streven naar geld mag niet afgewezen worden, want het is iets wat ons in staat stelt het cultuurproces te bevorderen. Streven we naar geld omwille van het geld, dan is het absurd, lachwekkend. Net zo is het met de gezondheid. Streven we naar gezondheid omwille van de gezondheid, dan heeft het geen betekenis. Streven we naar gezondheid omwille van wat we met de gezondheid bereiken kunnen, dan is het streven naar gezondheid gerechtvaardigd.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – München, 5 december 1907 (bladzijde 218-219)

Voorbeeld en navolging

In de eerste periode van het leven, dus van het eerste tot het zevende jaar is de mens voornamelijk een nabootsend wezen. Maar we moeten dit in de ruimste zin van het woord begrijpen. […] In verband met deze dingen komen soms mensen om raad vragen bij een of andere gelegenheid. Zo zei mij bijvoorbeeld eens een vader dat hij had te klagen over zijn vijfjarig kind. ‘Wat heeft dat vijfjarig kind dan gedaan?’ vroeg ik. ‘Het heeft gestolen’, zei de vader treurig. Ik zei hem: ‘Dan moet men echter eerst nagaan hoe de diefstal eigenlijk in zijn werk gegaan is.’

Toen vertelde hij mij, dat het kind stellig niet met boze opzet had gestolen. Hij had geld uit de lade van zijn moeder genomen en snoepgoed gekocht, maar dit snoepgoed dan op straat onder andere kinderen verdeeld. Dus blind egoïsme was het niet. Wat was het dan? Nu, het kind heeft dagelijks gezien hoe de moeder uit de la geld haalt. Met zijn vijf jaar is het kind een imitator (Duits: Nachahmer). Het heeft niet gestolen, het heeft eenvoudig de dingen die de moeder elke dag doet ook eenmaal nagedaan, want dat beschouwt het kind geheel instinctmatig als het juiste, wat de moeder altijd doet. – Dit is nu zo’n voorbeeld voor al de subtiele dingen, die men moet weten als men op een werkelijk met het mensenwezen overeenstemmend wijze zijn opvoedkunst wil opvatten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297a – Erziehung zum Leben – Utrecht, 24 februari 1921 (bladzijde 19-20)

Eerder geplaatst op 26 mei 2012

Over stelen, uitbuiting, yoga

‘Niet stelen’, ook dat moet in strenge zin doorgevoerd worden. De Europeaan zal zeggen: Wij stelen niet. – Maar de oosterse yogi ziet de zaak niet zo eenvoudig. In de gebieden waar deze oefeningen voor het eerst verspreid werden door de grote leraren der mensheid, waren de omstandigheden veel eenvoudiger; daar kon men het begrip ‘stelen’ gemakkelijk vaststellen. Maar een yogaleraar zal niet toegeven, dat een Europeaan niet steelt, hij neemt dat zeer strikt. Als ik bijvoorbeeld gebruik maak van de arbeidskracht van een ander, als ik mij een voordeel verschaf dat wel wettelijk geoorloofd is, maar die de uitbuiting van een ander inhoudt, dan betekent dit voor een yogaleraar stelen. Bij ons liggen de dingen in onze sociale situatie zo ingewikkeld, dat velen dit verbod overtreden zonder daarvan het geringste bewustzijn te hebben. Stel u hebt een vermogen en u zet dat op een bank. U doet niets daarmee, u buit niemand uit. Maar nu gaat de bankier speculeren en buit zo andere mensen met uw geld uit. Ook dan bent u in occulte zin verantwoordelijk, het belast uw karma. U ziet hieruit dat dit gebod bij een hogere ontwikkeling een diepe studie vereist.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart, 3 september 1906 (bladzijde 124)

Eerder geplaatst op 22 maart 2012.

Niet weten, wél stelen?

In onze sociale verhoudingen liggen de dingen zo gecompliceerd, dat velen dit gebod (het gebod ‘Gij zult niet stelen’) overtreden zonder zich daarvan ook maar iets bewust te zijn. Stelt u zich voor dat u een som geld bezit en dat u dat geld bij een bank onderbrengt. U doet niets met dat geld, u buit er niemand mee uit. Maar nu komt de bankier, die speculeert en buit zo, met úw geld, anderen uit. In occulte zin bent ú daarvoor verantwoordelijk. Een rentenier bijvoorbeeld, wiens kapitaal zonder dat hij er weet van heeft in een jeneverstokerij is belegd, maakt zich net zo schuldig als de fabrikant die sterke drank fabriceert. Het niet-weten verandert niets aan het karma.

Bron: Rudolf Steiner, op 3 september 1906

Zie ook: Artikel van John Hogervorst in Driegonaal   

en: Artikel Frappant van Michel Gastkemper, de grootste kenner der antroposofie van West-Europa

Van geld kan niemand leven

Van geld kan men niet leven. Daar moet eerst eens begonnen worden met nadenken. […] Opdat ik een jas kan aantrekken of een pantalon, moeten mensen urenlang hun arbeidskracht geven om dat tot stand te brengen. Die werken voor mij. Daarvan leef ik en niet van mijn geld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 186 Dornach 30 november 1918 (bladzijde 45-46)

Meer uitgebreid plaatste ik dit bericht op 12 maart 2011