Gevoel en begrip voor de waarheid liggen in ieder mens besloten

Degene die het bovenzintuiglijke waarneemt, moet niet alleen spreken tot hen die trachten de geesteswereld te doorgronden. Hij moet zijn woorden richten tot àlle mensen. Want hij heeft de taak om mededelingen te doen over dingen die alle mensen betreffen; ja, zelfs weet hij dat niemand in de ware betekenis van het woord mens kan zijn, die niet in bepaalde mate met deze zaken bekend is. En hij richt zijn woorden tot alle mensen, omdat hij weet, dat er uiteenlopende maten van begrip zijn voor datgene wat hij te zeggen heeft. 

Hij weet ook dat zij, die nog ver verwijderd zijn van het ogenblik dat zij tot zelfstandig onderzoeken in staat zijn, begrip voor zijn woorden kunnen opbrengen. Want gevoel en begrip voor de waarheid liggen in ieder mens besloten. En tot dit begrip, dat in elke gezonde ziel tot verdere ontwikkeling kan komen, wendt hij zich allereerst. Hij weet ook dat er in dit begrip een kracht schuilt, die geleidelijk de weg vrijmaakt naar de hogere graden van bewustzijn. 

En dit gevoel, dat misschien in het begin totaal niets waarneemt van hetgeen waarover gesproken wordt, dit gevoel zelf is de tovenaar die het geestesoog opent. Dit gevoel komt in het duister tot activiteit. De ziel kan niet zien, maar via dit gevoel wordt zij gegrepen door de macht der waarheid, en dan zal de waarheid geleidelijk tot de ziel komen en voor haar het hogere waarnemingsorgaan openen. Voor de een kan dat korter, voor de ander langer duren; wie geduld heeft en volhardt, bereikt dit doel niettemin.

Bron: Rudolf Steiner – GA 9Theosophie – Einführung in  übersinnliche  Welterkenntnis und  Menschenbestimmung (blz. 6-7)

Uit de vijfde druk van Theosofie (blz. 17-18). Vertaling H.G.J. de Leeuw

528x840

Een helderziende is met geesteswezens even vertrouwd als een ander met zijn hond of kat

Zoals een gedachte in de mens leeft, is zij slechts een schaduwbeeld, een schim van haar werkelijke wezen. Zoals de schaduw op een wand zich verhoudt tot het voorwerp zelf dat deze schaduw werpt, zo verhoudt zich de gedachte welke in het menselijk hoofd opkomt, tot het wezen in de geesteswereld dat aan deze gedachte beantwoordt.

Als nu iemands geesteszintuig tot ontwikkeling is gekomen, dan neemt hij dit gedachtenwezen even reëel waar als hij met zijn fysieke ogen een tafel of stoel waarneemt. Hij verkeert in een omgeving van gedachtenwezens.

Het zintuiglijk oog neemt een leeuw waar, en het op het zintuiglijke gerichte denken ervaart de gedachte aan een leeuw slechts als een schim, als een schaduwachtig beeld. Het geestesoog evenwel ziet in de geesteswereld de leeuw als gedachte even werkelijk als het stoffelijk oog de fysieke leeuw. Zoals voor iemand die blind geboren is, na de operatie welke hem het gezichtsvermogen deed verkrijgen zijn omgeving plotseling met nieuwe eigenschappen van kleur en licht verrijkt schijnt, zo komt het iemand die zijn geestesoog leert gebruiken voor, alsof hij omgeven is door een nieuwe wereld, een wereld van levende gedachten of geestelijke wezens.

Wanneer iemand die slechts vertrouwt op zijn uiterlijke zintuigen, deze wereld van geestelijke wezens loochent en beweert dat die wezens niet meer dan abstracties zijn, welke door het vergelijkende verstand worden gevormd aan de hand van hetgeen met de zintuigen wordt waargenomen, dan is zulks begrijpelijk omdat juist zo iemand niet in staat is om iets van deze hogere wereld waar te nemen. Hij kent de gedachtenwereld slecht in haar schimachtige abstractheid. Hij weet niet  dat iemand wiens geestesoog geopend is, met die geesteswezens even vertrouwd is als hijzelf met zijn hond of kat, noch dat deze wereld een veel intensievere werkelijkheid bezit dan de zintuiglijk-fysieke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 9 – Theosophie – Die drei Welten – III. Das Geisterland

Overgenomen uit de Nederlandse vertaling door H.G.J. de Leeuw (bladzijde 114-115)

Eerder geplaatst op 22 oktober 2015

Niet helderziendheid, maar inzicht en begrip is waar het om gaat

De mensen zijn wederom in het stadium gekomen, waarin ze een oog nodig hebben voor de geestelijke wereld, waar ze in binnengaan na de dood. En dit oog zullen ze niet hebben, als ze het niet hier op aarde verwerven. Zoals het fysieke oog in het vooraardse bestaan moet worden verkregen, zo moet het oog voor het waarnemen van het bovenzinnelijke na de dood hier door geesteswetenschap, door geestelijke kennis verworven worden. […] Het is gewoon niet waar, als er gezegd wordt, men moet zelf in de geestelijke wereld zien, als men de dingen, die de helderzienden vertellen, wil geloven. O nee, zo is het niet. […] Gevonden worden kunnen zulke feiten alleen door het helderziende onderzoek, maar als ze gevonden zijn, kunnen ze ingezien worden. Men moet er alleen op gericht zijn, de zaak te overdenken en te doorvoelen. En dit erkennen door het gezonde mensenverstand van wat uit de geestelijke wereld is gegeven, niet de helderziendheid, maar deze kennis, dat geeft het geestelijke oog voor na de dood. […] Want wat de taak van de mensen op aarde is, is niet direct de helderziendheid. Het helderzien moet er alleen zijn, opdat men de bovenzinnelijke waarheden kan vinden. Maar wat de opgave van de mensen op aarde is, dat is het begrijpen van de bovenzinnelijke waarheden met het gewone gezonde mensenverstand.

Bron: Rudolf Steiner – GA 218 –  Geistige Zusammenhänge in der Gestaltung des menschlichen Organismus – Stuttgart 9 december 1922 (bladzijde 326-327)

Akashakroniek: Het staat geschreven in het Grote Levensboek en het is niet onopgemerkt voorbij gegaan…

Alles wat in de fysiekzintuiglijke wereld gebeurt, heeft zijn tegenbeeld in de geestelijke wereld. Als een hand beweegt, dan is niet alleen aanwezig wat uw oog van de handbeweging ziet, maar achter de bewegende hand, achter het zichtbare beeld van de hand ligt bijvoorbeeld mijn gedachte en mijn wil: de hand moet zich bewegen. Er staat een geestelijke tegenhanger achter. Terwijl het met de ogen zichtbare beeld, de zintuiglijke indruk van de handbeweging voorbijgaat, blijft het spirituele tegenbeeld in de geestelijke wereld ingeschreven en laat voor altijd een spoor na, zodat we, als we de geestesogen geopend hebben, van alle dingen die gebeurd zijn in de wereld de sporen nagaan kunnen, die er achtergebleven zijn van hun geestelijke tegenbeelden. Niets kan gebeuren in de wereld zonder zulke sporen achter te laten.

Stel, de geestesonderzoeker laat zijn blik terugzweven tot de tijd van Karel de Grote of tot in de Romeinse tijd of in de Griekse oudheid. Alles wat toen gebeurd is, daarvan zijn van de geestelijke oerbeelden de sporen behouden gebleven in de geestelijke wereld en kunnen daar waargenomen worden. Dit waarnemen van de sporen welke alle gebeurtenissen in de geestelijke wereld achterlaten, noemt men het “lezen in de akashakroniek”.

Bron: Rudolf Steiner – GA 112 – Kassel 25 juni 1909 (bladzijde 28)