Thee

Thee versterkt de beweeglijkheid van het denken, zij bewerkt dat de gedachten onbestendig worden, zich niet bij de feiten kunnen houden. Wel wordt de fantasie, zij het soms niet zeer sympathiek, opgewekt, doch zonder waarheidszin en onbezonnen. Daarom is het begrijpelijk, dat men in gezelschap, waar het erop aankomt gedachten te laten flitsen en sprankelende geestigheid te ontwikkelen, graag thee schenkt. 

Overdreven gebruik van thee kweekt onverschilligheid ten opzichte van de eisen die aan een gezond verstand moeten worden gesteld. Het gebruik van thee wakkert gemakkelijk dweperij aan en maakt, dat men te onbekommerd aan de eisen van een solide leven voorbij loopt. Thee leidt eerder tot bluf dan koffie; koffie maakt degelijker, thee breedsprakig, al is dit woord te scherp gekozen.

Chocolade bevordert vooral kleinburgerlijkheid, het maakt bekrompen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 145 – Welche  Bedeutung  hat  die okkulte  Entwicklung des Menschen für seine Hüllen (physischenLeib, Ätherleib,  Astralleib) und sein Selbst? – Den Haag, 21 maart 1913 (bladzijde 36)

Overgenomen uit het boek Voeding en Bewustzijn – 1988 Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist. (bladzijde 16) Vertaling door A. Goedheer-de Keizer, verzameld en bewerkt door A.B. van der Laan-Schepers

Hoe-zet-je-het-ideale-kopje-thee

Kort fragment uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner (2) – Dingen en wezens ‘die men ziet’ en ‘die men niet ziet’

De werkelijkheid van de geestelijke wereld was voor mij een even grote zekerheid als die van de zintuiglijke wereld. Maar ik had een soort bewijs voor deze veronderstelling nodig. Ik wilde vastgesteld hebben dat het beleven van de geestelijke wereld evenmin een zinsbegoocheling is als dat van de uiterlijke wereld. Met betrekking tot de geometrie zei ik tot mijzelf: Hier mág men iets weten, wat de ziel zelf slechts door eigen kracht beleeft; door dit gevoel meende ik het recht te hebben op dezelfde wijze te spreken over de geestelijke wereld die ik beleefde als over de zintuiglijke wereld. En dat deed ik dan ook. Twee weliswaar vage voorstellingen speelden vóór mijn achtste levensjaar een grote rol in mijn zielenleven. Ik onderscheidde dingen en wezens ‘die men ziet’ en ‘die men niet ziet’.

Ik vertel deze dingen waarheidsgetrouw, hoewel mensen, die reden zoeken om de antroposofie als een fantastische zaak af te doen, hieruit misschien de conclusie zullen trekken dat ik als kind al een grote dosis fantasie bezat, waardoor het geen wonder was dat ik ook tot een fantastische wereldbeschouwing kwam.

Maar juist omdat ik weet hoe ik later, bij de beschrijving van een geestelijke wereld, alleen maar gelet heb op de eigen wetten van dit gebied en niet op mijn persoonlijke liefde daarvoor, kan ik zelf heel objectief terugzien op de kinderlijke onbeholpen wijze, waarop ik meende te mogen denken over een wereld ‘die men niet ziet’ en die gerechtvaardigd werd door de geometrie.

Ik moet echter ook zeggen, dat ik graag in deze wereld vertoefde. De zintuiglijke wereld, zou ik, zonder het licht van de andere zijde, als een geestelijke duisternis om me heen hebben ervaren.

Bron: Mijn Levensweg – bladzijde 16-17 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling: W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28 – Mein Lebensgang (bladzijde 22-23)

Eerder geplaatst op 17 mei 2014

Verstand is alomtegenwoordig

Er is om ons heen niet alleen overal iets zoals zuurstof en stikstof aanwezig, maar er is in de hele natuur verstand, werkelijk verstand aanwezig. Geen mens is verbaasd als men zegt: We ademen de lucht in -, omdat de lucht overal is en de wetenschap is tegenwoordig wel zo veel in de schoolboeken gekomen dat de mensen geleerd wordt: Overal is lucht, en je ademt de lucht in. – Maar ik heb bijvoorbeeld wel mensen van het platteland gekend, die dit als een fantasie beschouwd hebben, omdat ze gewoon niet geweten hebben dat buiten lucht is, net zo als de mensen tegenwoordig niet weten dat overal verstand is. Die beschouwen het als een inbeelding als iemand zegt: Juist zoals we met de longen de lucht inademen, zo ademen we bijvoorbeeld met de neus of met het oor verstand in. – En ik heb u immers vroeger al rijkelijk voorbeelden getoond, waaraan u kon zien dat overal verstand is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 351 – Mensch und Welt/Das Wirken des Geistes in der Natur/Über das Wesen der Bienen – Dornach, 22 december 1923 (bladzijde 245)

Eerder geplaatst op 3 augustus 2016

Ketters, Dwazen en Dromers

Vandaag de dag behandelt men ketters niet meer zoals vroeger. Men brengt ze niet meer op de brandstapel, maar men beschouwt ze als dwazen en dromers, die vanuit willekeurige fantasie spreken. Men maakt ze belachelijk en men gaat zitten op de hoge stoel van de wetenschap en zegt, dat het niet met echte wetenschap verenigbaar is, niet wetend dat het de ware, echte wetenschap is, die voor deze waarheden vereist zijn.

We zouden honderden en honderden van dergelijke waarheden kunnen aanvoeren, die ons laten zien, hoe geesteswetenschap het leven belichten kan, doordat ze aantoont dat een onsterfelijke wezenskern in de mens woont, die door de dood de geestelijke wereld binnentrekt, en als hij zijn bestemming daar vervuld heeft, weer terugkeert in het fysiek-zintuiglijk bestaan om nieuwe ervaringen te verzamelen, die hij dan weer door de dood omhoogdraagt in geestelijke werelden.

We zullen zien dat de banden die gevormd zijn van mens tot mens, van ziel tot ziel op alle gebieden van het leven, die eigenschappen (Duits: Züge) van het hart, die van ziel naar ziel gaan, die anders niet te verklaren zijn, verklaard kunnen worden doordat ze aangeknoopt zijn in vroegere levenssituaties. En dat wat we nu aanknopen aan innerlijke geestelijke banden, niet ophoudt als de dood intreedt, maar dat wat als levensbanden van ziel tot ziel gaat, onsterfelijk is als de menselijke ziel zelf, hoe dat voortleeft in de geestelijke wereld en weer leven zal in andere toekomstige omstandigheden op aarde en nieuwe incarnaties. En het is slechts een kwestie van de ontwikkeling, dat de mensen ook herinneringen zullen hebben aan hun vroegere belevenissen op aarde, aan wat ze in hun geest en ziel doorgemaakt hebben in vroegere aardelevens en bestaansomstandigheden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 272 – Faust, der strebende Mensch – Straatsburg, 2 januari 1910 (bladzijde 19-20)

Eerder geplaatst op 27 december 2015

Verstand is alomtegenwoordig

Er is om ons heen niet alleen overal iets zoals zuurstof en stikstof aanwezig, maar er is in de hele natuur verstand, werkelijk verstand aanwezig. Geen mens is verbaasd als men zegt: We ademen de lucht in -, omdat de lucht overal is en de wetenschap is tegenwoordig wel zo veel in de schoolboeken dat de mensen geleerd wordt: Overal is lucht, en je ademt de lucht in. – Maar ik heb bijvoorbeeld wel mensen van het platteland gekend, die dit als een fantasie beschouwd hebben, omdat ze gewoon niet geweten hebben dat buiten lucht is, net zo als de mensen tegenwoordig niet weten dat overal verstand is. Die beschouwen het als een inbeelding als iemand zegt: Juist zoals we met de longen de lucht inademen, zo ademen we bijvoorbeeld met de neus of met het oor verstand in. – En ik heb u immers vroeger al rijkelijk voorbeelden getoond, waaraan u kon zien dat overal verstand is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 351 – Mensch und Welt/Das Wirken des Geistes in der Natur/Über das Wesen der Bienen – Dornach, 22 december 1923 (bladzijde 245)