Verbetering door herhaalde aardelevens

Overweeg eens wat de mens allemaal denkt! Zou het niet de meest vreselijke gedachte zijn die je je kunt voorstellen als je jezelf zou moeten zeggen dat alle menselijke gedachten objectief in de wereldmaterie ingeschreven zijn en daar aldus voor eeuwig zouden zijn? Dit zou echter gebeuren als de mens niet, doordat hij herhaalde aardelevens doormaakt, in staat zou zijn de gedachten die niet zouden moeten blijven, weer te verbeteren, hetzij door het corrigeren of door het geheel uitroeien, en ze te vervangen door andere gedachten, enzovoort. Dat is iets wat de evolutie door de verschillende aardse levens verwezenlijkt: dat de mens in staat is om werkelijk te verbeteren wat hij bij elke dood in de kosmos (Duits: Weltensubstantialität) inschrijft, en dat hij kan nastreven dat van hem uit, wanneer hij door de laatste aardse incarnatie zal zijn gegaan, alleen datgene aan de etherische wereldsubstantie in de wereld overgegeven wordt, wat nu werkelijk kan blijven bestaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 170 – Das Rätsel des Menschen/Die geistigen Hintergründe der menschlichen Geschichte – Dornach, 27 augustus 1916 (bladzijde 208)

De doden werken in op ons leven

We zijn alleen van de zogenaamde doden gescheiden doordat we niet met het gewone bewustzijn in staat zijn waar te nemen hoe de krachten van de doden, het leven van de doden, de acties van de doden in ons eigen leven inwerken (Duits: hereinspielen). Want deze krachten, deze daden van de doden, dringen voortdurend door in ons gevoelsleven en in ons wilsleven. We leven dus met de doden. En het is wel belangrijk om zich in onze tijd duidelijk te maken hoe spirituele wetenschap de taak heeft om dit bewustzijn van de verbondenheid (Duits: des Zusammengehörens) met de dode zielen te ontwikkelen.

De voortgaande aardse evolutie zal niet heilzaam kunnen verlopen, zonder dat de mensheid dit levendige gevoel van het samenzijn met de doden ontwikkelt. Want het leven van de doden speelt langs veelvoudige omwegen in op het leven van de zogenaamde levenden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 179 – Geschichtliche Notwendigkeit und Freiheit/ Schicksalseinwirkungen aus der Welt der Toten – Dornach, 10 december 1917 (bladzijde 55)

De betekenis van het vergankelijke voor het onvergankelijke

We moeten het onderscheid leren kennen tussen het vergankelijke en het onvergankelijke. In de Griekse beeldhouwkunst bijvoorbeeld zijn grootse, wonderbaarlijke werken gemaakt, die toch alle na een bepaalde tijd ten ondergegaan zullen zijn. Zouden die werken alles zijn, dan zou men moeten zeggen dat ze vergankelijk zijn; alles in de fysiek-zintuiglijke wereld is op deze wijze voorbijgaand.

Maar dat de kunstenaar op het fysieke vlak werkt, brengt iets wat blijvend is voor de geest van de kunstenaar, dat er niet zou zijn als hij niet op het fysieke gebied gewerkt had. Het opnemen van een bezigheid op een lager gebied is het vermogen (Duits: Fähigkeit) van een wezen op een hoger gebied; dat is evolutie. Alleen door de incarnatie wint de mens een verrijking van de geest, die hij anders niet zou verkrijgen. Dat is de betekenis van het vergankelijke voor het onvergankelijke.

Bron: Rudolf Steiner – GA 89 – Bewußtsein/Leben/Form – Berlijn, 19 oktober 1904 (bladzijde 129)

Eerder geplaatst op 16 mei 2017

In de verre toekomst

De hoogste trap die de rozenkruiser kan bereiken, is de godzaligheid. Hier groeit de ingewijde samen met het gehele universum, hij beleeft het hoogtepunt van de menselijke evolutie, zoals die voor de mensheid in de verre toekomst bedoeld is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 97 – Das christliche Mysterium – München 11 december 1906 (bladzijde 213)

Gerard Reve zou wel zeggen: Ik vind dit leven al geweldig en straks nog het eeuwig leven in de hemel, je vraagt je wel eens af: waar hebben wij het aan verdiend.

Kijk hieronder hoe Reve het gedicht De blijde boodschap, waarin die zin staat, voorleest op zijn eigen onnavolgbare, humoristische wijze.

Rudolf Steiner – Is profetie mogelijk?

Is profetie mogelijk? Zij is mogelijk omdat alles wat op aarde geschieden moet, reeds in de kiem, in de schoot der oerbeelden bestaat van wie de gedachten het plan van onze evolutie vormen. Niets verschijnt op het aardse plan dat niet tevoren in grote lijnen in het gebied van de goddelijke geest was voorzien en voorgevormd. Niets geschiedt in de diepte, wat niet voordien in de hoogte bestaan heeft.

Bron: GA 094 – Parijs, 14 juni 1906 (bladzijde 119-120)