De mens heeft zich ontwikkeld ten koste van de omringende wereld

We zien in de natuur het mineralen-, planten- en dierenrijk; de mens heeft de eigenschappen van al deze rijken in zich. De vorm en samenhang van de mineralen; het leven van de plant; en het gevoel en de kracht van het innerlijke leven van het dierenrijk, de mens is de som van hen.

Hij heeft zijn evolutie en krachten ten koste van hen bereikt. Oorspronkelijk waren dieren volmaakter. De stijging van de mens werd tot stand gebracht door hun daling. Op deze manier is het mensenrijk verrezen. […]

Als een heilige zich ontwikkelt, betekent dat het naar omlaag brengen van andere wezens; hij zal het goedmaken en de andere wezens verlossen. Dit idee geeft medeleven met de hele kosmos. De mens die zichzelf omhoog ontwikkelt, moet ernaar verlangen om anderen te ontwikkelen en te verlossen, want hij heeft zich ontwikkeld ten koste van de hele omringende wereld.

Bron (Engels): Rudolf Steiner – Evolution of Human Freedom and Personal Consciousness/Concerning the Concepts of God – Dusseldorf, January 19th, 1905

Het GA (Gesamtausgabe) nummer van dit citaat is onbekend. Daarom is dit Engelstalige citaat vertaald door Google Translator met een paar aanpassingen van mij.

dded2bb2acc255e911c54aae3323efb5

De betekenis van het vergankelijke voor het onvergankelijke

We moeten het onderscheid leren kennen tussen het vergankelijke en het onvergankelijke. In de Griekse beeldhouwkunst bijvoorbeeld zijn grootse, wonderbaarlijke werken gemaakt, die toch alle na een bepaalde tijd ten ondergegaan zullen zijn. Zouden die werken alles zijn, dan zou men moeten zeggen dat ze vergankelijk zijn; alles in de fysiek-zintuiglijke wereld is op deze wijze voorbijgaand. 

Maar dat de kunstenaar op het fysieke vlak werkt, brengt iets wat blijvend is voor de geest van de kunstenaar, dat er niet zou zijn als hij niet op het fysieke gebied gewerkt had. Het opnemen van een bezigheid op een lager gebied is het vermogen (Duits: Fähigkeit) van een wezen op een hoger gebied; dat is evolutie. Alleen door de incarnatie wint de mens een verrijking van de geest, die hij anders niet zou verkrijgen. Dat is de betekenis van het vergankelijke voor het onvergankelijke.

Bron: Rudolf Steiner – GA 89 – Bewußtsein/Leben/Form – Berlijn, 19 oktober 1904 (bladzijde 129)

P.S. Als voorbeeld noemt Steiner hier een kunstenaar. Waarom noemt hij niet bijvoorbeeld een bouwvakker of een boekhouder? Zijn dat soms geen bezigheden op een lager gebied die vermogens geven op een hoger gebied? Het lijkt vaak in de antroposofie wel alsof alleen kunst betekenis heeft voor de geest en al het andere als bijv. techniek of economie eigenlijk maar wat minderwaardig is. Wel legt hij vaak genoeg de nadruk op het grote belang van praktisch denken en werken, maar het lijkt vaak wel dat dit iets is dat nu eenmaal op aarde noodzakelijk is, maar eigenlijk niet van betekenis is voor de geest. Maar misschien heb ik het wel verkeerd begrepen.

Eerder geplaatst op 8 januari 2018

hogerlager

Afgedwaald

In feite ligt de basis van het moreel juiste, de basis van het goede op de bodem van de menselijke zielennatuur, en eigenlijk is de mens pas in de loop van de evolutie, in zijn weg van incarnatie naar incarnatie, afgedwaald van de oorspronkelijke, men zou willen zeggen, instinctief goede aanleg en daardoor is het kwaad, het onjuiste, het immorele in de mensheid gekomen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 155 – THEOSOPHISCHE MORAL – Norrköping, 30 mei  1912 (bladzijde 107)

Is profetie mogelijk?

Is profetie mogelijk? Ze is mogelijk omdat alles wat op aarde geschieden moet, reeds in de kiem, in de schoot der oerbeelden bestaat van wie de gedachten het plan van onze evolutie vormen. Niets verschijnt op het aardse plan dat niet tevoren in grote lijnen in het gebied van de goddelijke geest was voorzien en voorgevormd. Niets geschiedt in de diepte, wat niet voordien in de hoogte bestaan heeft.

Bron: Rudolf Steiner – GA 094 – Kosmogonie – Parijs, 14 juni 1906 (bladzijde 119-120)

Eerder geplaatst op 2 december 2011

Verbetering door herhaalde aardelevens

Overweeg eens wat de mens allemaal denkt! Zou het niet de meest vreselijke gedachte zijn die je je kunt voorstellen als je jezelf zou moeten zeggen dat alle menselijke gedachten objectief in de wereldmaterie ingeschreven zijn en daar aldus voor eeuwig zouden zijn? Dit zou echter gebeuren als de mens niet, doordat hij herhaalde aardelevens doormaakt, in staat zou zijn de gedachten die niet zouden moeten blijven, weer te verbeteren, hetzij door het corrigeren of door het geheel uitroeien, en ze te vervangen door andere gedachten, enzovoort. Dat is iets wat de evolutie door de verschillende aardse levens verwezenlijkt: dat de mens in staat is om werkelijk te verbeteren wat hij bij elke dood in de kosmos (Duits: Weltensubstantialität) inschrijft, en dat hij kan nastreven dat van hem uit, wanneer hij door de laatste aardse incarnatie zal zijn gegaan, alleen datgene aan de etherische wereldsubstantie in de wereld overgegeven wordt, wat nu werkelijk kan blijven bestaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 170 – Das Rätsel des Menschen/Die geistigen Hintergründe der menschlichen Geschichte – Dornach, 27 augustus 1916 (bladzijde 208)