Over erven van talenten en vaardigheden (1 van 3)

De volgende vraag is gesteld: ‘Volgens de wet van reïncarnatie moet men zich voorstellen dat de menselijke individualiteit zijn talenten, vermogens enzovoort als een gevolg vanuit zijn vroegere levens bezit. Is daarmee nu niet in tegenspraak dat zulke talenten en vermogens, bijvoorbeeld morele moed, muzikale begaafdheid enzovoort zich rechtstreeks van de ouders op de kinderen overerven?’

Antwoord: Bij een juiste voorstelling van de wet van reïncarnatie, wederbelichaming en karma is in het bovenstaande geen tegenstrijdigheid te vinden. Onmiddellijk overerven kunnen zich alleen maar de eigenschappen van de mens, die zijn fysieke lichaam en zijn etherlichaam ten deel vallen. Onder het etherlichaam moet men de drager van alle levensverschijnselen (de groei- en voortplantings- krachten) verstaan. Alles wat daarmee samenhangt is direct over te erven. 

In mindere mate is al overerfbaar wat aan het zogenaamde zielenlichaam gebonden is. Daaronder is te verstaan een bepaalde dispositie in de gevoelens. Of men een goed gezichtsvermogen (Duits: lebhaften Gesichtssinn), een goed ontwikkeld gehoor enz. heeft, dat kan ervan afhangen of de voorouders dergelijke eigenschappen verworven en op ons overgeërfd hebben.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – LUCIFER- GNOSIS 1903-1908/ GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE – oktober 1904 (bladzijde 371)

Eerder geplaatst op 1 november 2017

rudolf-steiner-ga-34-lucifer-gnosis-grundlegende-a

Het gevaar van hypnotiseren

Op het moment van de dood doet zich voor de mens iets merkwaardigs voor: een korte tijd herinnert de mens zich alle belevenissen van het zojuist afgelopen leven. Als een groot tableau staat in een enkel ogenblik zijn hele leven voor zijn ziel. Iets dergelijks gebeurt in het leven van de mensen alleen in zeer zeldzame gevallen, en alleen dan als hij in levensgevaar verkeert of een grote schrik krijgt; bijvoorbeeld iemand die bijna verdrinkt of in een afgrond dreigt te storten, ziet op het moment van de naderende dood zijn leven voor zijn ziel staan.

Een ander soortgelijk verschijnsel is het eigenaardige, prikkelende gevoel als een lichaamsdeel ingeslapen is. Waardoor komt dit? Dit komt door een losraken van het etherlichaam. Als een deel, bijvoorbeeld een vinger, slaapt, dan ziet de helderziende naast de vinger een tweede vinger uitsteken; dat is het etherlichaam dat zich op deze plaats losgemaakt heeft en er uitsteekt.

Daarin ligt ook het grote gevaar van hypnotiseren, omdat hierbij de hersenen aan hetzelfde proces onderhevig zijn als bij de slapende vinger. Aan beide kanten van het hoofd ziet de helderziende, als twee kwabben of zakken, het losgemaakte etherlichaam er buiten hangen. Als het hypnotiseren vaak wordt herhaald, dan ontstaat de neiging van het etherlichaam om zich los te maken, wat grote gevaren met zich kan meebrengen. De betrokken personen worden meestal onvrij, dromerig, hebben aanvallen van duizeligheid enzovoort.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart, 24 augustus 1906 (bladzijde 31)

Eerder geplaatst op 31augustus 2017 (1 reactie)

1200px-Hypnotisk_seans_av_Richard_Bergh_1887

Een vrouw wordt onder hypnose gebracht (schilderij van Richard Bergh)

Verandering

De sterkste impulsen, die in het gewone leven op deze verandering (van karaktereigenschappen, temperamenten enz. R.v.D.) aansturen, zijn die van religieuze aard. Wanneer het Ik de impulsen, die uit de religie voortkomen, telkens en telkens weer op zich laat inwerken, dan vormen die in hem een macht, die tot in het etherlichaam doorwerkt en dit op dezelfde wijze verandert, als geringere drijfveren van het leven de verandering van het astraallichaam bewerken.  

Deze geringere drijfveren van het leven, die door leren, nadenken, veredeling van gevoelens enz. tot de mens komen,  staan onder de invloed van het op velerlei wijze afwisselende bestaan; religieuze gevoelens drukken echter op al het denken een zekere stempel van eenheid. Zij verbreiden als het ware een gemeenschappelijk, onverdeeld licht over het gehele zieleleven. De mens denkt en voelt heden dit, morgen dat. De meest uiteenlopende redenen geven daartoe aanleiding. 

Wie echter door zijn religieuze gevoel – van welke aard het dan ook mag zijn – iets bevroedt, wat alle veranderlijkheid doortrekt, die zal al hetgeen hij heden denkt en voelt evenzeer op deze grondstemming betrekken, als hetgeen zijn ziel morgen ervaart. De religieuze belijdenis grijpt daardoor diep in het zieleleven in; de invloeden ervan worden in de loop van de tijd voortdurend sterker, omdat zij bij voortdurende herhaling werken. Daarom krijgen zij de macht om op het etherlichaam in te werken.  

Op een dergelijke wijze werken de invloeden van de ware kunst op de mens in. Wanneer hij door de uiterlijke vorm, door kleur en klank van een kunstwerk de geestelijke achtergrond ervan met zijn voorstellingsvermogen en gevoel doordringt, dan werken de impulsen die het Ik daardoor ontvangt, inderdaad ook tot in het etherlichaam door. Als men deze gedachtengang tot het einde doordenkt, kan men begrijpen, welk een onmetelijke waarde de kunst voor alle menselijke ontwikkeling heeft. Hiermee zijn slechts enkele dingen aangeduid, die aan het ik de impulsen schenken, om op het etherlichaam in te werken. Er zijn veel zulke invloeden in het menselijke leven, die voor de waarnemende blik niet zo duidelijk blijken als de hier genoemde.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS: Wesen der Menschheit – bladzijde 73-74

Deze vertaling is van F. Wilmar 

4697_steiner

Idiotie

Op het moment dat de mens zijn nieuwe fysieke lichaam binnentreedt, gebeurt iets wat gelijksoortig is aan het moment dat hij zijn fysieke lichaam aflegt. Op dit moment heeft de mens een soort vooruitblik op zijn komende leven, zoals hij op het moment van de dood een terugblik heeft op het afgelopen leven. Deze vooruitblik vergeet de mens echter, omdat de constitutie van zijn fysieke lichaam nog niet geëigend is om deze vooruitblik in het geheugen te behouden. Op dit moment nu kan de mens zien: Zo zijn de familie-, zo zijn de lands-, zo zijn de plaats- en de lotsomstandigheden, waarin ik zal worden geboren.

En dan doet zich soms het feit voor dat de mens, wanneer hij op dit moment van de vooruitblik heeft ervaren dat hem veel slechts te wachten staat, een schok krijgt, een schrik over het hem naderende leven, en dat zich dan het etherlichaam niet juist met het fysieke lichaam verenigt, er niet ingaan wil. En dan treden in het leven de gevolgen van een dergelijke schrik – dit niet willen van het etherlichaam om juist in het fysieke lichaam te gaan – op in de vorm van idiotie.

De geestelijk schouwende kan bij een dergelijk mens het etherlichaam zien uitsteken boven het fysieke hoofd. En door dit niet goed ingetreden-zijn van het etherlichaam blijven de hersenen in hun ontwikkeling achter, omdat het etherlichaam niet naar behoren aan de hersenen werkt. Veel gevallen van de tegenwoordige idiotie zijn veroorzaakt door dit soort gevallen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus- Erkenntnis: Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 23 juni 1907 (bladzijde 100-101)

steiner

Eerder geplaatst op 3 april 2017 (15 reacties)

Nabootsing en uiterlijk Voorbeeld / Navolging en Autoriteit

Zoals voor de eerste kinderjaren nabootsing en uiterlijk voorbeeld de toverwoorden van de opvoeding zijn, zo zijn het nu voor de betreffende fase: navolging en autoriteit. De vanzelfsprekend aanvaarde, niet opgedrongen autoriteit moet voor het innerlijk beleven van de jonge mens staan als een onmiddellijk beeld, waaraan hij zijn geweten, zijn gewoonten en neigingen ontwikkelt, waarnaar zijn temperament zich regelt, en door welks ogen hij de wereld beziet. Het dichterwoord: ‘ieder mens moet zijn held kiezen, die hij volgen wil in zijn streven de top van de Olympus te bereiken’ geldt in het bijzonder voor deze leeftijdsfase.

Eerbied en ontzag zijn krachten, die het etherlichaam op de juiste wijze tot ontplooiing brengen. Wie niet de mogelijkheid heeft gehad in de genoemde ontwikkelingsperiode naar iemand op te zien met een grenzeloos ontzag, zal daarvoor zijn gehele verdere leven moeten boeten. Waar deze verering ontbreekt, verkommeren de levende krachten van het etherlichaam.

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft 1907 (bladzijde 329-330)

Overgenomen van de WordPress site van Pieter Witvliet.

https://vrijeschoolpedagogie.com/2020/12/28/vrijeschool-algemene-menskunde-voordracht-9-9-1-2-2-1/

Rudolf-Steiner