Eten om te leven / Leven om te eten

Er zijn mensen – ja, hoe zal  ik ze noemen? Laten we zeggen dat ze graageters zijn, ze houden van eten; anderen eten niet zo graag. Ik wil niet zeggen veelvraten en niet-veelvraten, dat is niet passend in een serieuze overweging; maar ik wil dus zeggen, er zijn mensen die houden van eten, en mensen die minder van eten houden. 

Ook dit hangt op een bepaalde manier samen met wat de mens beleeft bij het gaan door het leven tussen dood en nieuwe geboorte vóór en na de middernachthoogte van het bestaan. Het midden is de middernachthoogte van het bestaan. Dan zijn er mensen die, om zo te zeggen, zeer hoog stijgen naar het geestelijke, en mensen die niet zeer hoog stijgen, voor wie de middernachthoogte niet zo hoog is. De mensen die hoog stijgen, die zullen eten om te leven. De mensen die niet hoog stijgen, die leven om te eten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 236 – Esoterische Betrachtungen karmischer  Zusammenhänge / Zweiter Band – Dornach, 10 mei 1924 (bladzijde 143-144)

Eerder geplaatst op 7 april 2019  (34 reacties)

smulpaap

Alleen het juiste denken is vruchtbaar (1 van 2) – Het zijn de mensen zelf die de huidige nood hebben doen ontstaan

Wanneer wij de zich over de hele wereld uitspreidende wereldeconomie in ogenschouw nemen – en dat moet tegenwoordig ook gebeuren – dan kunnen wij zeggen dat de natuur ons in deze tijd niet minder geeft dan in andere tijden, wanneer wij de vruchten van de natuur op de juiste wijze onder de mensen kunnen brengen – als mensheid als geheel natuurlijk. Dat mensen nu in nood verkeren, meer dan voorheen, is niet het gevolg van fysieke oorzaken maar is bewerkt door de menselijke geest. Als het zo is dat de mens tegenwoordig in nood verkeert, dan is deze nood het gevolg van een verkeerd geestesleven, van een verkeerd denken. 

Daarom is het enig mogelijke, dat het juiste denken op de plaats van het foute denken wordt gezet om uit deze noodsituatie te komen. Niet door de natuur, ook niet door onbekende machten is de mens in de huidige situatie beland; het zijn de mensen zelf die de huidige nood hebben doen ontstaan. Wanneer er een noodsituatie is, zijn het de mensen die deze situatie hebben laten ontstaan; wanneer mensen niets te eten hebben, zijn het de mensen die niet voor eten hebben gezorgd. 

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 338 – Wie wirkt man für den Impuls der Dreigliederung des sozialen Organismus? – Stuttgart, 12 februari 1921 (bladzijde 21-22)

Deze vertaling is van John Hogervorst, overgenomen uit zijn Driegonaal Nieuwsbrief Juli 2017

Eerder geplaatst op 21 juli 2017   (4 reacties)

025392c8939a3e9920dbd8e4351cdb5d

Overdenking

Nu plaats ik eens geen citaat van Steiner, maar een overdenking van mijzelf. Het heeft mij vaak nogal bedrukt dat het wel lijkt of volgens de antroposofie zowat alles verkeerd is. Slechts een paar voorbeelden zal ik daarvan noemen. Wat zegt Steiner bijv. over lichtbeelden? 

Veel verschijnselen van het hedendaagse culturele leven werken destructief op het fysieke lichaam, bijvoorbeeld in het bijzonder ook de lichtbeelden, die het etherlichaam beslist beschadigen. Lichtbeelden prikkelen ook de zinnelijkheid.’ 

In de tijd van Steiner werd met lichtbeelden bedoeld de projectie met behulp van elektrisch licht van bijv. een foto op een wand. Zoiets als wat wel toverlantaarn wordt genoemd. Maar tegenwoordig hebben we televisie, bioscoop, computer, smartphone enzovoort, Allemaal lichtbeelden dus.

Ook sport, met name voetbal, schijnt heel erg te zijn. Daarover zegt hij: 

Het is om uit je vel te springen (Duits: aus der Haut zu fahren) als men al die moderne sportaangelegenheden zoals bijvoorbeeld voetbal enzovoort ziet, hoe ze de mensen mechaniseren en hem niets geven (Duits: einfügen) van wat in hem geestelijk is, hoe zeer men zich dat ook inbeeldt. Alles wat men daar nastreeft is een bespotting van het geestelijke, hoe goed het ook bedoeld is.

Populaire muziek schijnt ook uit den boze te zijn, helemaal als het via elektronische apparaten wordt weergegeven. Ik weet niet precies waar hij het zei, maar bij bepaalde muziek zou men kwalijke demonen zien dansen of zoiets.

Lang geleden kwam ik wel eens bij een oude antroposofe. Zij was een soort opperhoofd van de Antroposofische Vereniging In Leeuwarden. Over muziek zei ze: ‘Het is niet erg om naar populaire muziek te luisteren, want daardoor komen de mensen juist vaak tot de klassieke muziek.’ Met andere woorden: klassieke muziek was wel hoog en edel genoeg, maar populaIre muziek eigenlijk niet.

Nu, ik houd veel van muziek, speel zelf ook zeer amateuristisch gitaar en keyboard, maar klassieke muziek vind ik nog steeds niet veel aan. Wel wat populaire klassieke muziek, maar van de wat zwaardere klassiek muziek moet ik niet veel hebben.

Met de voorbeelden die ik nu genoemd heb, kan menig mens in innerlijk conflict raken. Want aan sport, voetbal, bioscoop, computer, muziek enzovoort beleven ontelbaar veel mensen zeer veel plezier. En dat schijnt nu allemaal schadelijk te zijn. 

En ik ben waarschijnlijk lang niet de enige die hiervan bedrukt raakt, want Steiner heeft het ergens over de ‘unendliche Schwierigkeiten’ van de antroposofen omdat ze denken dat hun leven ‘nicht geistig genug ist und so weiter’.

Overigens zegt Steiner duidelijk dat het heel verkeerd zou zijn om genoemde zaken te vermijden of te ontlopen, dat men niet wereldvreemd moet worden en zich aanpassen moet aan de huidige omstandigheden. Ook kan men door deze zogenaamde tegenwerkingen juist een sterkere kracht ontwikkelen, veel sterker dan wanneer deze tegenwerkingen er niet zouden zijn.

Maar dat er in de genoemde voorbeelden, dus lichtbeelden, sport en muziek op zichzelf ook heel veel positieve dingen zijn, daar heb ik Steiner zeer weinig over gehoord. Het kan echter zijn dat ik dit dan over het hoofd heb gezien. Maar het positieve aan genoemde zaken is dat men ook van alles kan ervaren en beleven, wat men niet zou ervaren en beleven als men het niet zou doen. En die ervaringen vormen en ontwikkelen de mens toch ook. Dat er schaduwkanten aan zijn, mag geen reden zijn om dan deze aangelegenheden te vermijden of ontlopen. 

Want wie bijvoorbeeld zegt: ‘Ik kijk geen televisie en geen bioscoopfilms’, die mist behalve een hoop plezier ook veel dingen waar hij wat van leren kan, niet alleen verstandelijk maar ook in moreel opzicht. Het hangt er dan wel vanaf wat voor films het zijn, er is natuurlijk ook veel geweld, misdaad enz. te zien. 

En wie muziek niet via elektronisch apparaten wil beluisteren, die krijgt dan zowat helemaal geen muziek te horen. En denk eens aan voetballers of sporters in het algemeen. Die maken van alles mee waardoor ze misschien wel een beter mens worden. 

Mijn conclusie is: Wat men ook doet: overal zijn wel schaduwkanten aan, maar overal zijn ook goede kanten aan. Het is maar net wat iemand er zelf van maakt. Wie redeneert: ‘Ik doe dit niet, want het is niet goed’, die zou dan ook moeten zeggen: ‘Ik stop maar met eten, want als ik eet, loop ik het gevaar dat ik te ongezond of te veel eet, waardoor ik schade oploop voor mijn gezondheid.’

Eten in de toekomst

In de verre toekomst zal de mens op een hogere, spirituele trap iets hebben, wat het dier op een lagere trap heeft, als het over de weide loopt en de planten, die juist voor hem goed zijn, plukt en de andere laat staan. Een onbewust instinct, dat wil zeggen in werkelijkheid hogere geesten, leiden het dier. Op bewuste wijze zal de mens in de toekomst de planten nemen die goed voor hem zijn; niet zoals tegenwoordig waarbij hij nadenkt wat de beste substantie voor zijn lichaam is, maar een levendige verhouding zal hij hebben tot elke afzonderlijke plant, want hij zal weten dat wat de planten hebben geabsorbeerd ook als zodanig in hem overgaat. Het eten zal niet een nederige bezigheid zijn voor hem, maar iets wat met ziel en geest gedaan wordt, omdat hij zal weten dat alles wat hij eet de uiterlijke vorm van ziel en geest is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 105 – Welt, Erde und Mensch – Stuttgart, 6 augustus 1908 (bladzijde 58)

Eerder geplaatst op 13 mei 2016

Eten om te leven/Leven om te eten

Er zijn mensen – ja, hoe zal  ik ze noemen? Laten we zeggen dat ze graageters zijn, ze houden van eten; anderen eten niet zo graag. Ik wil niet zeggen veelvraten en niet-veelvraten, dat is niet passend in een serieuze overweging; maar ik wil dus zeggen, er zijn mensen die houden van eten, en mensen die minder van eten houden.

Ook dit hangt op een bepaalde manier samen met wat de mens beleeft bij het gaan door het leven tussen dood en nieuwe geboorte vóór en na de middernachthoogte van het bestaan. Het midden is de middernachthoogte van het bestaan. Dan zijn er mensen die, om zo te zeggen, zeer hoog stijgen naar het geestelijke, en mensen die niet zeer hoog stijgen, voor wie de middernachthoogte niet zo hoog is. De mensen die hoog stijgen, die zullen eten om te leven. De mensen die niet hoog stijgen, die leven om te eten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 236 – Esoterische Betrachtungen karmischer  Zusammenhänge/ Zweiter Band – Dornach, 10 mei 1924 (bladzijde 143-144)