Zintuiglijke waarneming / Bovenzintuiglijke waarneming

Het bewust zijn van de wereld om ons heen hangt af van welke capaciteiten en organen we hebben om ze waar te nemen. Als we andere organen zouden hebben, dan zou de wereld voor ons totaal anders zijn. Als de mens bijvoorbeeld geen ogen zou hebben om het licht te zien, maar een orgaan waardoor hij bijvoorbeeld de elektriciteit zou kunnen waarnemen, dan zou hij deze ruimte niet als helder en licht waarnemen, maar hij zou in de draden die in de kamer zijn de elektriciteit zien stromen; dan zou hij het overal zien trillen, flitsen en stromen. Wat we onze wereld noemen, is dus afhankelijk van onze zintuigen. 

Evenzo is de astrale wereld niets anders dan een som van verschijnselen die de mens om hem heen ervaart wanneer hij gescheiden is van zijn fysieke lichaam en etherlichaam, en hij de krachten in hem kan gebruiken om waar te nemen van wat hij anders niet kan zien. Dat is ook het geval wanneer hij het fysieke lichaam en het etherische lichaam heeft afgelegd (bij de dood). De waarnemingsorganen voor de astrale wereld zijn de organen van het astrale lichaam, analoog aan de zintuigen voor het fysieke lichaam.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus-Erkenntnis / Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 19 juni 1907 (bladzijde 48)

Eerder geplaatst op 25 september 2019  (9 reacties)

Waarneming en wereld

De beleving van de wereld om ons heen hangt af van welke vermogens en organen we hebben om ze waar te nemen. Zouden we andere organen hebben, dan zou ook de wereld geheel anders voor ons zijn. Als de mens bijvoorbeeld geen ogen zou hebben om het licht te zien, maar een orgaan waarmee hij, laten we zeggen, de elektriciteit zou kunnen waarnemen, dan zou u deze ruimte niet als helder, van licht doorstroomd waarnemen. Wel echter zou u in de draden die in deze ruimte liggen de elektriciteit heen en weer zien stromen; dan zou u het overal trillen, flitsen en stromen zien. Zo is dus wat we onze wereld noemen afhankelijk van onze waarnemingsorganen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus- Erkenntnis/Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 19 juni 1907 (bladzijde 48)

Eerder geplaatst op 3 augustus 2017  (3 reacties)

imagegen-1

De oorlog van allen tegen allen

We gaan een tijd tegemoet waarin, zoals ik onlangs heb aangegeven, de mensen zullen begrijpen wat het atoom in werkelijkheid is. Het zal worden doorzien dat het atoom niets anders is dan gestolde elektriciteit.  De gedachte zelf bestaat uit dezelfde substantie. 

Men zal inderdaad zo ver komen, nog voor de vijfde cultuurperiode (1413-3573 na Chr.) ten einde loopt, dat men in staat zal zijn op het atoom in te werken. Als men eerst de connectie van de materie tussen de gedachte en het atoom kan begrijpen, dan zal men spoedig  begrijpen hoe men het atoom kan beïnvloeden. En niets zal meer voor bepaalde soorten van uitwerkingen gesloten zijn: Ik zal hier kunnen staan en onopgemerkt op een knop, die ik in mijn broekzak draag, kunnen drukken om een object op een verafgelegen afstand, bijvoorbeeld in Hamburg, op te blazen, zoals u nu al draadloos kunt telegraferen, doordat u hier  een golfbeweging produceert en die op een bepaalde andere plaats tot uitdrukking kunt brengen. Dat zal kunnen optreden in de tijd, wanneer de occulte waarheid dat gedachte en atoom uit dezelfde substantie bestaan, in het praktische leven zal zijn doorgevoerd. 

Het is onmogelijk voor te stellen wat er in zo’n geval zou gebeuren, als de mensheid dan niet tot onbaatzuchtigheid zou zijn gekomen. Alleen door het verwerven van onzelfzuchtigheid zal het mogelijk zijn de mensheid van de rand van de vernietiging  te weerhouden. De ondergang van ons tegenwoordige aardetijdperk zal teweeggebracht worden door het gebrek aan moraliteit. Het Lemurische aardetijdperk is door vuur ten onder gegaan, het Atlantische door water; het onze zal ten onder gaan door de oorlog van allen tegen allen, het kwaad, door de strijd tussen de mensen onder elkaar. De mensen zullen zichzelf in onderlinge gevechten vernietigen. En het troosteloze zal zijn – troostelozer dan andere soorten van ondergang -, dat de mensen zelf de schuld daaraan zullen dragen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 93 – Die Tempellegende und die Goldene Legende – Berlijn, 25 december 2015 (bladzijde 122-123)

https://www.youtube.com/watch?v=ntLsElbW9Xo

Eerder geplaatst op 30 november 2016  (11 reacties)

Zintuiglijke waarneming / Bovenzintuiglijke waarneming

Het bewust zijn van de wereld om ons heen hangt af van welke capaciteiten en organen we hebben om ze waar te nemen. Als we andere organen zouden hebben, dan zou de wereld voor ons totaal anders zijn. Als de mens bijvoorbeeld geen ogen zou hebben om het licht te zien, maar een orgaan waardoor hij bijvoorbeeld de elektriciteit zou kunnen waarnemen, dan zou hij deze ruimte niet als helder en licht waarnemen, maar hij zou in de draden die in de kamer zijn de elektriciteit zien stromen; dan zou hij het overal zien trillen, flitsen en stromen. Wat we onze wereld noemen, is dus afhankelijk van onze zintuigen. 

Evenzo is de astrale wereld niets anders dan een som van verschijnselen die de mens om hem heen ervaart wanneer hij gescheiden is van zijn fysieke lichaam en etherlichaam, en hij de krachten in hem kan gebruiken om waar te nemen van wat hij anders niet kan zien. Dat is ook het geval wanneer hij het fysieke lichaam en het etherische lichaam heeft afgelegd (bij de dood). De waarnemingsorganen voor de astrale wereld zijn de organen van het astrale lichaam, analoog aan de zintuigen voor het fysieke lichaam.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und Christus-Erkenntnis / Theosophie und Rosenkreuzertum – Kassel, 19 juni 1907 (bladzijde 48)

Alles wat ons hier omgeeft, is uiterlijke uitdrukking van de geestelijke wereld

Het leven in de bovenzinnelijke wereld is geen leven in een onwerkelijke droomwereld, maar een leven in een gebied dat het leven in ons zintuiglijk gebied pas verklaarbaar en begrijpelijk maakt. Zoals een gewoon mens, die de wetten van de elektriciteit niet bestudeerd heeft, in een elektrisch aangedreven fabriek binnengaat, daar de wonderbaarlijke motoren en machines ziet en het niet begrijpt, zo begrijpt ook de gewone mens niet de drijvende krachten van de geestelijke wereld.

Het gebrek aan inzicht van de fabrieksbezoeker bestaat zolang als hij de wetten van de elektriciteit niet kent. Zo is de mens ook op geestelijk gebied zonder inzicht, zolang hij de geestelijke wetten niet kent. Er is niets in onze wereld dat niet, waar we ook gaan of staan, van de geestelijke wereld afhankelijk is. Alles wat ons hier omgeeft, is uiterlijke uitdrukking van de geestelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Berlijn, 7 december 1905 (bladzijde 222-223)

Eerder geplaatst op 27 maart 2014