Egoïsme en het verval der cultuur

De gehele hedendaagse cultuur is, tot in de sfeer van het geestelijke, gestoeld op het egoïsme van de mensheid. Bekijkt u onbevangen het meest geestelijke gebied, waar de mens zich tegenwoordig aan wijdt, bekijkt u het religieuze gebied, en vraag uzelf of niet onze huidige cultuur juist op religieus gebied ingesteld is op het egoïsme van de mensen. Typerend is het juist voor het wezen van het prediken in onze tijd dat de predikant de mensen aanspreken wil in de zelfzucht.

Neemt u meteen dat wat de mensen ten diepste vatten moet: de vraag van de onsterfelijkheid, en bedenkt u dat tegenwoordig bijna alles, zelfs in het preken, erop ingesteld is de mensen zo aan te vatten dat zijn zelfzucht voor het bovenzinnelijke in het oog gehouden wordt. Door het egoïsme heeft de mens de drang om niet wezenloos door de poort van de dood te gaan, maar om zijn ik te behouden. Dit is een, hoewel dan ook nog zo verfijnde, zelfzucht. Aan deze zelfzucht appelleert tegenwoordig in de breedste zin elke religieuze geloofsovertuiging, als het gaat om de vraag van de onsterfelijkheid. Daarom spreekt vóór alles de religieuze overtuiging zo tot de mensen dat het meestal de ene kant van ons aardse bestaan vergeet en alleen rekening houdt met de andere kant van dit bestaan, dat de dood vóór alles in het oog wordt gehouden, dat de geboorte vergeten wordt. 

Hoewel die dingen niet zo duidelijk worden uitgesproken, toch zijn ze hierop gebaseerd. We leven in de tijd, waarin dit appèl op het menselijk egoïsme op alle gebieden moet worden bestreden, als de mensen niet op de neerwaartse weg van de cultuur, waarop ze tegenwoordig gaan, steeds meer en meer bergaf zullen gaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 293 – Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik – Stuttgart, 21 augustus 1919 (bladzijde 20-21)

Eerder geplaatst op 2 juli 2016

Het doorlopen van meerdere aardelevens is niet altijd een vooruitgang  

Het zou kunnen lijken alsof wat ik zojuist beschreven heb over het doorlopen van de mens door het leven tussen dood en nieuwe geboorte, altijd zou betekenen dat de opeenvolgende aardelevens altijd volkomener en volmaakter zouden zijn. Dat is echter in de praktijk niet het geval. […] 

Het blijkt dan dat we niet altijd in staat zijn na de dood te overzien welke krachten we ons moeten verwerven om begaan onrecht te kunnen goedmaken. En daar werken vele krachten mee, zodat het kan zijn dat we wat we uit egoïsme in het leven voor de dood begaan hebben, door een nog groter egoïsme denken te kunnen vereffenen, en wat we aan dwaasheid gedaan hebben door een nog grotere dwaasheid compenseren willen. Daardoor kan het gebeuren dat de volgende aardse incarnatie nog onvolmaakter verschijnt, als een nog zwaardere scholing dan de laatste was. Over het geheel genomen is echter de doorgang van de mens door de herhaalde levens op aarde toch een vooruitgang (Duits: Aufstieg).

Bron: Rudolf Steiner – GA 63 – Geisteswissenschaft als Lebensgut – Berlijn, 4 december 1913 (bladzijde 167-168)

Eerder geplaatst op 19 september 2015  (3 reacties)

Het gevoel van dankbaarheid onderschat men tegenwoordig

Het gevoel van dankbaarheid onderschat men tegenwoordig. Dit dankbaarheidsgevoel verbindt de mensen met de wereld, laat de mensen zichzelf als een deel van de wereld voelen. Leidt men het kind zo dat het tegenover de geringste kleinigheden dankbaarheid kan ontwikkelen, dan sluit het kind zich niet in egoïsme af, dan wordt het kind altruïstisch, dan verbindt het kind zich met de omgeving. […] 

En heeft men het kind het dankbaarheidsgevoel bijgebracht, dan zal men zien dat men de basis voor de morele opvoeding geplant heeft. Want als men dit dankbaarheidsgevoel verzorgd heeft en deze dankbaarheid verenigbaar met alle kennis blijkt, dan zal het gevoel van het kind gemakkelijk doordrongen zijn van de liefde, zoals de mens ze hebben moet voor alle andere mensen, uiteindelijk voor alle schepselen van de wereld. Men zal de liefde het zekerste vanuit het dankbaarheidsgevoel kunnen ontwikkelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 297a – Erziehung zum Leben – Selbsterziehung und pädagogische Praxis – Den Haag, 4 november 1922 (bladzijde 159-160)

Zie ook: Dankbaarheid

Eerder geplaatst op 14 september 2015  (7 reacties)

Egoïstische liefde moet er ook zijn

De liefde, waarbij de oorzaak van de liefde niet bij de liefhebbende ligt, maar bij de geliefde, dat is de soort, de vorm van liefde in de zintuiglijke wereld die absoluut onvatbaar is voor enige Luciferische invloed. Maar als u nu naar het menselijk leven kijkt, zult u snel zien dat er ook een ander soort liefde in het menselijk leven speelt, de liefde waarbij men liefheeft omdat men zelf bepaalde eigenschappen heeft die zich bevredigd, verrukt, verheugd voelen als men van dit of dat wezen kan houden. Dan heeft men lief om zichzelf; men heeft dan lief omdat men zo of zo geaard is, en deze specifieke aard bevrediging voelt door het liefhebben van het andere wezen.

Ziet u, deze liefde, die een egoïstische liefde zou kunnen worden genoemd, moet er ook zijn. Deze mag in de mensheid niet ontbreken. Omdat alles wat we kunnen liefhebben in de geestelijke wereld, de geestelijke feiten, alles wat in ons door liefde als verlangen, als een drang omhoog in de geestelijke wereld kan leven om de wezens van de geestelijke wereld te bevatten, de geestelijke wereld te kennen: het ontspringt natuurlijk ook vanuit de zintuiglijke liefde voor de geestelijke wereld. Maar deze liefde voor het geestelijke, die moet, niet alleen maar mag, maar moet noodzakelijkerwijs omwille van onszelf gebeuren. We zijn wezens die hun wortels hebben in de geestelijke wereld.

Het is onze plicht om onszelf zo volmaakt mogelijk te maken. Omwille van onszelf moeten we de geestelijke wereld liefhebben, zodat we vanuit de geestelijke wereld zoveel mogelijk kracht in ons eigen wezen kunnen brengen. In de geestelijke liefde is dit persoonlijke, individuele element, men zou kunnen zeggen, dit egoïstische element van liefde, volledig gerechtvaardigd, omdat het de mens uit de zintuiglijke wereld wegtrekt, het leidt hem omhoog in de geestelijke wereld, het leidt hem ertoe de noodzakelijke plicht te vervullen om zich steeds volkomener en volkomener te maken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 147 – Die  Geheimnisse der Schwelle – München, 25 augustus 1913 (bladzijde 39-40)

Veel soorten medelijden komen uit egoïsme voort

Vaak wordt gezegd dat ook medelijden aan het egoïsme kan ontspringen. Dat is vaak het geval. Veel soorten medelijden komen alleen uit egoïsme voort, omdat men de anderen niet graag ziet lijden. Maar ook dit is noodzakelijk. Voordat mensen een hogere trap bereikt hebben, is het beter dat ze een ander uit egoïstisch medelijden helpen dan helemaal niet. We moeten echter leren een vorm van medelijden te ontwikkelen, die boven het egoïsme staat, die de medemensen helpt, omdat het plicht is om te helpen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Band 1 – Berlin, 15. Mai 1908 (bladzijde 375)

Eerder geplaatst op 14 augustus 2015  (6 reacties)