Ontvankelijkheid voor de buitenwereld

De mens is maar al te licht geneigd om, wanneer hij zich aan een bepaalde zielsactiviteit wijdt, in eenzijdigheid te vervallen. Hij kan bijvoorbeeld, wanneer hij merkt welk profijt zijn innerlijke bezinning en het verwijlen bij de eigen voorstellingswereld hem brengt, daar zo sterk toe neigen dat hij zich voor de indrukken uit de buitenwereld steeds meer afsluit. Dat leidt echter tot uitdroging en verschraling van het innerlijk leven. Het verst brengt de mens het die naast het vermogen zich in zijn innerlijk terug te trekken ook een open ontvankelijkheid bewaart voor alle indrukken uit de buitenwereld. En we hoeven daarbij niet slechts aan de zogenaamde hoogtepunten van het leven te denken; ieder mens kan in iedere situatie – ook binnen nog zo armzalige vier muren – genoeg beleven, wanneer hij daarvoor maar ontvankelijk blijft. We hoeven niet naar ervaringen op zoek te gaan; ze zijn overal te vinden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS (bladzijde 362-363)

Nederlandstalige bron: De wetenschap van de geheimen der ziel / Inzicht in hogere werelden (Over de inwijding of initiatie) – (blz. 264)

Vertaald door Wijnand Mees

Rudolf Steiner / Werken en voordrachten

© 1998 Stichting Rudolf Steiner Vertalingen

Tweede druk 2004 / Derde druk 2011 / Vierde druk 2019 

748x1200

Eenzijdigheid is de grootste vijand van alle wereldbeschouwingen  

Eenzijdigheid is de grootste vijand van alle wereldbeschouwingen en het is vooral nodig eenzijdigheid te vermijden. Eenzijdigheid moeten we vermijden. Dat is waar ik vandaag in het bijzonder op wil wijzen, hoe nodig het is eenzijdigheid te vermijden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 151 – Der menschliche und der kosmische Gedanke – Berlijn, 21 januari 1914 (blz. 34-35)

rudolfsteinerlecture2011_13-2013_08_19-08_19_05-utc

Portret door David Newbatt

De menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen het kwade uit te den­ken

Onze in­telligentie gaat een bepaalde weg; tegenwoordig verkeren we nog sterk in een ontwikkeling van de intelligentie zoals de Grieken die hadden. Door onze intelligentie begrijpen wij dat wat aan de dood onderhevig is. Maar ook deze vorm van intel­ligentie die het dode begrijpt, verandert. In de komende eeu­wen en millennia zal deze intelligentie iets totaal anders wor­den. Onze intelligentie heeft nu al een bepaalde aanleg. De mensheid zal terechtkomen in een ontwikkeling van de intelli­gentie waarin deze de neiging zal hebben alleen het onware, de dwaling, het bedrog te begrijpen, en alleen het kwade uit te denken.

De leerlingen van de esoterische scholen, en met name de ingewijden, wisten vanaf een bepaalde tijd dat de menselijke intelligentie een ontwikkeling naar het kwade doormaakt en dat het steeds moeilijker zal worden alleen door intelligentie het goede te herkennen. De mensheid verkeert nu nog in deze overgang. Wij zouden kunnen zeggen: het lukt de mens nog net, wanneer hij zijn intelligentie gebruikt en geen buitenge­woon wilde instincten in zich heeft, enigszins naar het licht van het goede op te zien. Maar deze menselijke intelligentie zal steeds sterker de neiging vertonen, het kwade uit te den­ken, het kwade in te voegen in het morele en in het kennen, de dwaling.

Dat was een van de redenen waarom de ingewijden zich de mannen van zorg noemden, omdat de ontwikkeling van de mensheid in de eenzijdigheid, zoals ik die zojuist uiteengezet heb, inderdaad zorgen baart; zorgen juist om de ontwikkeling van de intelligentie. Het is tenslotte niet voor niets dat de intelligentie de moderne mens zozeer met trots en hoogmoed vervult. Dat is, zo zou ik het willen noemen, een voorproefje voor het kwaad-worden van de intelligentie in de vijfde na-Atlantische periode, waarin wij nog maar aan het begin staan. Wanneer de mens niets anders zou ontwikkelen dan zijn intel­ligentie, dan zou hij op aarde een boos wezen worden. Wan­neer wij vertrouwen willen hebben in de toekomst van de mensheid en deze toekomst als een vruchtbare toekomst wil­len zien, dan mogen wij niet vertrouwen op de eenzijdige ont­wikkeling van de intelligentie. In de Egyptisch-Chaldeeuwse tijd was deze intelligentie nog iets goeds, maar daarna is zij tot iets geworden dat verwant is met de krachten van de dood. Deze intelligentie zal een verbinding aangaan met de krachten van bedrog, van dwaling en van het boze.

Hierover zou de mensheid zich vooral geen illusies moeten maken. We moeten er in alle openheid rekening mee houden dat we ons moeten beschermen tegen de eenzijdige ontwik­keling van de intelligentie. Niet voor niets zal er juist door de antroposofisch georiënteerde geesteswetenschap iets anders kunnen komen: namelijk het opnemen van dat wat door een vernieuwd schouwen uit de geestelijke wereld kan worden verworven, wat niet door intelligentie begrepen kan worden maar pas begrepen kan worden wanneer men accepteert wat de wetenschap van de inwijding door middel van het schou­wen uit de geestelijke wereld haalt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 16 augustus 1919 (bladzijde 89-90)

 Overgenomen uit het boek Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave (bladzijde 101-102). Vertaling John Hogervorst en Hanneke Nelemans.

Eerder geplaatst op 9 oktober 2016  (9 reacties)

Eenzijdigheid is de grootste vijand van alle levensbeschouwingen

De waarheid van een gedachte op zijn gebied zegt nog niets over de algemene geldigheid van een gedachte. Een gedachte kan heel goed op zijn gebied juist zijn; maar daardoor wordt niets uitgemaakt over de algemene geldigheid van de gedachte. Bewijst men daarom het een of ander, en bewijst men het nog zo juist, toch kan het onmogelijk zijn om dit bewijs op een gebied toe te passen waarop het niet thuishoort. Het is daarom noodzakelijk dat degene die zich serieus met de wegen wil bezighouden, die naar een wereldbeschouwing leiden, er zich vóór alles mee bekend maakt dat eenzijdigheid de grootste vijand van alle levensbeschouwingen is en dat het bovenal nodig is om eenzijdigheid te vermijden. Eenzijdigheid moeten we vermijden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 151 – Der menschliche und der kosmische Gedanke – Berlijn, 21 Januari 1914 (bladzijde 34-35)

Eerder geplaatst op 13 oktober 2016

Over woede en strijd tegen de antroposofie

Antroposofie is altijd ten opzichte van zaken die op hun gebied volkomen terecht optreden, in een typische positie. Antroposofie is eigenlijk vanuit zichzelf geheel niet strijdlustig. Ze erkent graag alles wat binnen de horizon optreedt waarin het gerechtvaardigd is. Zo zal ze binnen de horizon, waarin het terecht is, natuurlijk ook de psychoanalyse erkennen. 

Maar antroposofie moet de dingen uit de gehele menselijke natuur, uit een totale verklaring van de wereld zoeken, moet dus in zekere zin de kleine kringen, die op enigszins dilettantische lekenwijze ook tegenwoordig door wetenschappers bedreven worden, in grotere kringen betrekken. Ze heeft dan ook geen reden om strijd te voeren. Ze sluit alleen dat wat eenzijdig verklaard wordt in een grote cirkel in. Ze begint daarom in de regel niet uit zichzelf te redetwisten. 

Maar de anderen strijden, want die willen bij hun eigen kleine kring blijven. Die zien op hun manier alleen wat in deze kleine kring is. En omdat hen dat wat in een wijdere horizon ligt en hen eigenlijk in feite zou kunnen stimuleren, helemaal niet bijzonder aanlokt, wijzen ze het woedend af. Zodat de antroposofie meestal genoodzaakt is zich tegen die eenzijdigheden te verweren, die hen aanvallen. Dit is wat met name tegen dergelijke tijdstromingen, zoals de psychoanalyse, gezegd moet worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 303 – Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens -Eine Einführung in die anthroposophische Pädagogik und Didaktik – Dornach, 26 december 1921 (bladzijde 72)

Eerder geplaatst op 11 juli 2016  (3 reacties)