Dit is het wat ons economische leven vergiftigt

Een heel andere geest moet in ons economische leven komen. Deze geest zal vóór alles nieuw leven inblazen in het verband dat er bestaan moet tussen de mens en wat hij direct of indirect in de wereld produceert. Deze samenhang is voor veel takken van ons leven niet meer juist. Het is voor veel mensen onverschillig waaraan ze werken, hoe hetgeen waaraan ze werken zich in de sociale samenhang invoegt. Ze interesseren zich alleen voor hoeveel ze verdienen met hun werk, dat wil zeggen ze beperken alle interesse die ze in de uiterlijke, materiële wereld hebben tot de interesse in wat ze voor het bedrag aan geld kunnen hebben, aan wat ze in de situatie waarin ze in dit uiterlijke leven staan voor dit geld kunnen verkrijgen. Dit beperken tot de interesse in de verdiensten, niet in de zaak die gedaan wordt, dat is het wat in feite ons hele economische leven vergiftigt. Maar hier liggen ook de ernstige belemmeringen voor het begrip met betrekking tot de impuls van de driegeleding van het sociale organisme.

Bron: Rudolf Steiner – GA 337b – Soziale Ideen/Soziale Wirklichkeit/Soziale Praxis – Dornach, 10 oktober 1920 (bladzijde 206-207)

Over geesteswetenschap en praktijk

Even erg in het moderne leven als van de ene kant het extreme kapitalisme, werkte van de andere kant de houding van: Ik leg mij toe op de impulsen van het innerlijkste van mijn ziel, ik geef mij over aan de geestelijke wereld, ik zoek de geestelijke wereld zoals ik die in mijn innerlijk kan vinden; mij interesseren de aangelegenheden van de ziel. Wat kan mij dit Ahrimanische geld – en kredietwezen, vermogen en bezit schelen! Wat trek ik mij aan van het verschil tussen rente en intrest, tussen omzet en winst enzovoort. Ik zorg voor de aangelegenheden van mijn ziel! –

Maar, zoals de mens een eenheid is naar lichaam, ziel en geest, zoals bij hem tussen geboorte en dood samengebonden zijn lichaam, ziel en geest, zo zijn in het uiterlijke bestaan samengebonden de impulsen die wij in ons innerlijk kunnen vinden en de impulsen die in de uiterlijke economische orde liggen.

En evenzeer schuldig aan de moderne katastrofe (W.O. I – fdw) zijn aan de ene kant de materialistische kapitalisten met hun denkwijze en houding, maar aan de andere kant ook diegenen die alleen maar vroom willen zijn, alleen maar geesteswetenschappelijk, die op hun eigen manier de geesteswetenschap abstract willen beperken en zich niet willen inlaten met het doordringen van de alledaagse werkelijkheid met een doortastend denken.

Dat is het wat mij telkens weer en weer aangezet heeft om u aan te sporen om toch niet deze antroposofische geestesbeweging op te vatten als zondagnamiddagspreken die iemand in de ziel zo’n deugd doen omdat er over een eeuwig leven enz. gesproken wordt. U zoudt deze antroposofische beweging als een weg moeten nemen om de moderne opgaven van het bestaan die ons zo brandend tegemoet treden, werkelijk zinvol aan te pakken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 188 – Der Goetheanismus – Menschenwissenschaft und Sozialwissenschaft – Dornach, 1 februari 1919 (bladzijde 231-232)

Vertaling overgenomen uit Tijdschrift De Brug – Trefwoord EuropeseUnie (44)

Eerder geplaatst op 15 april 2014

Afgunst/Egoïsme/Broederlijkheid

Wat er in het economische leven bewerkt wordt door broederlijkheid of onbroederlijkheid, door wat de mensen voor elkaar doen, in economisch opzicht, dat heeft, hoe vreemd het ook klinkt, niet slechts een betekenis voor dit leven tussen geboorte en dood, maar juist een grote betekenis voor het leven na de dood. Het is bijvoorbeeld al van betekenis of ik mijn hele leven door als een jaloers persoon te werk ga en mij zo gedraag dat de afgunst mijn principe is, of dat ik uit mensenliefde handel. De handelingen, in zover ze in het openbare leven uitmonden, in zover het de mensen met elkaar in contact brengt, deze handelingen hebben niet alleen een belang hier voor de aarde, maar dit handelen wordt in zijn werking door de poort van de dood gedragen en heeft een betekenis door het gehele leven tussen de dood, die ons treft na dit aardeleven, en het volgende aardeleven. Zodat we kunnen zeggen: Hetgeen zich hier afspeelt als economisch leven, dat is de oorzaak hoe mensen zullen leven tussen de dood en een nieuwe geboorte. Als bijvoorbeeld een economische orde alleen op egoïsme is gebouwd, dan betekent dat, dat de mensen in hoge mate eenzaten worden tussen de dood en een nieuwe geboorte, dat ze de grootste moeite hebben om andere mensenwezens te vinden, kortom, het is van reusachtige betekenis voor het leven tussen dood en de volgende geboorte, hoe de mens zich hier in economisch opzicht gedraagt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 196 – Geistige und soziale Wandlungen in der Menschheitsentwickelung – Dornach 31 januari 1920 (bladzijde 127-128)

Op geen ander gebied kunnen we zo goed en zo natuurlijk de broederlijke relaties onder de mensen ontwikkelen als juist in de economie

Bedenkt u eens hoe het economische leven ons eigenlijk plaatst in een bepaalde verhouding tot de wereld. U zult er gemakkelijk opkomen, hoe deze verhouding is als u zou moeten denken, dat we geheel en al zouden kunnen opgaan in een puur uiterlijk economisch leven. Wat zouden we dan zijn, als we uitsluitend in een puur uiterlijk economisch leven zouden opgaan? We zouden denkende dieren zijn, niets anders. Alleen doordat we naast het economische leven nog een rechtsleven, een politiek leven, een staatsleven en een geesteswetenschap hebben, zijn we niet denkende dieren. We worden dus door het economische leven min of meer omlaag gedrongen in het ondermenselijke. Maar doordat we omlaag gedrongen worden in het ondermenselijke, kunnen we juist op dit gebied van het ondermenselijke interesses ontwikkelen die in de ware zin van het woord de broederlijke belangen onder de mensen zijn. Op geen ander gebied kunnen we zo goed en zo natuurlijk de broederlijke relaties onder de mensen ontwikkelen als juist in de economie. […] De impulsen voor het leven als broeders, die entspringen, indem wir ein gewisses Verhältnis herstellen (onvertaalbaar voor mij met mijn bargeduuts), uit wat wij bezitten tot wat de ander bezit; uit onze behoeften tot de behoeften van de ander; uit wat wij hebben tot wat de ander heeft, enzovoort. Ontwikkelen we in het economische leven steeds meer en meer deze broederschap, dan verandert er in zekere zin wat in deze economie. Deze broederschap in de economie, deze broederlijke verhouding onder de mensen, die in het economische leven inwerken moet, als er gezondmaking van de economie moet zijn, dat is wat om zo te zeggen uit het economische leven opstijgt (Duits: aufdampft), zodat, juist doordat we het ons vanuit het economische leven aankweken, wij het door de poort van de dood meenemen en binnendragen in het bovenzinnelijke leven na de dood. Zo schijnt het economische leven voor het aardse leven als het laagste, maar in hem ontwikkelt zich iets, dat juist inwerkt (Duits: hineinpulst) vanuit het aardse door de poort van de dood in het bovenaardse.

Bron: Rudolf Steiner – GA 193 – Der innere Aspekt des sozialen Rätsels – Zürich 11 februari 1919 (bladzijde 52-53)

Rudolf Steiner – Weet u wel hoeveel bierbrouwerijen er met uw geld worden opgericht en in stand gehouden?

Wat voor verband bestaat er eigenlijk tussen deze toespraken in meer of minder mooie kamers, waarin verteld wordt hoe goed de mens is en hoe men alle mensen liefheeft zonder onderscheid van ras, volk en huidskleur en datgene wat in de buitenwereld gebeurt en waaraan wij meehelpen, wanneer we ons de rente laten uitbetalen van het geld, waarmee de banken voor de levenspraktijk zorgen en waar heel andere principes heersen dan die waarvan we als goede mensen in onze kamers spraken? We richten bijvoorbeeld theosofische genootschappen op waarin we tot alle mensen in de eerste plaats over broederschap spreken, maar in onze woorden schuilt niet de minste stuwkracht om ook maar enigszins datgene te beïnvloeden, waaraan ook wij meewerken, als we onze rente laten uitbetalen. Want terwijl wij dit laatste doen, zetten we een hele reeks economische zaken in beweging. Ons leven valt uiteen in deze twee van elkaar gescheiden gebieden.

Zo kon het bijvoorbeeld voorkomen – het gaat hier niet om een theoretisch voorbeeld, maar om een voorval uit het leven – dat een dame mij opzocht en zei: Denkt u zich eens in, er komt iemand bij me die geld van me verlangt dat gebruikt zal worden om mensen te steunen, die alcohol drinken. Dat kan ik als theosofe toch niet doen! – Dat zei die dame tegen mij. Ik kon alleen maar antwoorden: U leeft immers van de rente van uw geld. Weet u wel, hoeveel bierbrouwerijen er met uw geld worden opgericht en in stand gehouden? – Het gaat er niet om, dat we aan de ene kant toespraken houden om ons te verlustigen in een zielebevrediging, terwijl we aan de andere kant verder leven in een routine, zoals het leven van de laatste drie à vier eeuwen dit van ons eist. Weinig mensen willen zich ook bemoeien met dit fundamentele vraagstuk van onze huidige tijd.

Bron: Michaël – GA194 – Dornach, 12 december 1919 (bladzijde 159-160)