De waarheid wordt tegenwoordig het meest gehaat

Bij geestelijke bewegingen komt het niet op de uiterlijke grootte of het aantal aan, maar op de innerlijke kracht. Het zal een uitwerking hebben als het gedragen wordt door een sterk bewustzijn van wat het is. Maar dit is wat u moet hebben: Sterk bewustzijn van de waarheid, zich niet ontmoedigen laten omdat de waarheid tegenwoordig het meest wordt gehaat. Als u een of andere sektarische dwaling zou willen verbreiden, zou u het gemakkelijk hebben, want men zou daarvoor geen angst hebben. Maar juist als u de waarheid wilt verbreiden, zullen de mensen angstigheid bespeuren en zult u de grootste weerstand vinden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 345 – Vorträge und Kurse über christlich-religiöses  Wirken IV – Stuttgart, 11 juli 1923 (bladzijde 16)

BY DAVID NEWBATT

Eerder geplaatst op 24 december 2019 (1 reactie)

Waarheid en Dwaling / Gezondheid en Ziekte (2 van 2)

Gaan wij echter door de poort van de dood en leggen het fysieke lichaam af, dan is dit lichaam geen belemmering meer. Dan komt in ons gehele geestes-zielewezen tot uitdrukking, wat we ons hebben eigen gemaakt door het beleven van het moreel-goede of moreel-slechte. Dan leven wij daar naar geest en ziel als een volledig mens, of als een gebrekkige.

En zo gaan wij door de geestelijke wereld heen, tot wij weer opnieuw een fysiek aardelichaam aannemen en van binnenuit ons eigen lot scheppen. Want als wij vanuit een vroeger aardeleven naar geest en ziel harmonisch zijn, kunnen wij dit aardelichaam ook volmaakter vormen en het bekwaam maken voor deze of gene taak in het leven. Komen wij echter naar de aarde als een moreel-gebrekkige, dan zullen wij van embryo af aan tot in de volwassenheid toe onhandig en onbekwaam zijn in het beheersen van ons lichaam en ons daardoor een innerlijk lot scheppen, dat dan ook tot uiterlijk lot wordt.

Wie het leven onbevangen kan gadeslaan, zal ontdekken hoe de innerlijke lotsvorming zich nauw verbindt met het uiterlijk lotsbeleven, doordat wij in staat zijn ons van ons lichaam en wat daarmee samenhangt te bedienen; waar wij door middel van ons lichaam met de zintuiglijk-fysieke wereld in aanraking komen, kunnen wij het van binnenuit dus bekwaam of onhandig gebruiken. Daardoor bereiden wij ook, althans gedeeltelijk, de uiterlijke gebeurtenissen op zo’n manier voor, dat ook het uiterlijk lot voor een deel het gevolg blijkt van het innerlijk lot. En wat we op deze manier doormaken, wordt in de opeenvolgende latere levens weer in evenwicht gebracht.

Bron: Rudolf Steiner – GA 231 – Der übersinnliche Mensch anthroposophisch  erfaßt – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 44-45)

Rudolf Steiner – Tussen dood en nieuwe geboorte – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 42-43) – 1979 UItgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

Vertaling:M. Macintosh

Eerder geplaatst op 8 november 2020 

504x840

Waarheid en Dwaling / Gezondheid en Ziekte (1 van 2)

We zeggen dat het vaak buitengewoon deprimerend is ons lot te moeten verdragen. Inderdaad. Wanneer we ons tot het fysiek-zintuiglijke aardeleven bepalen, zien we hoe iets, wat voortkomt uit de beste morele impulsen, maar al te vaak weinig succes heeft, terwijl veel, wat voortkomt uit beslist niet goede morele impulsen, wel goede resultaten oplevert. Waarom is dit zo? Dit komt doordat deze fysiek-zintuiglijke wereld, die wij in zekere zin hebben ‘aangetrokken’, namelijk een deel daarvan om ons lichaam te bekleden, totaal geen zedelijke impulsen bevat. Om te beginnen doven in ons hele doen en laten binnen de fysieke wereld de morele impulsen uit, ze spelen geen rol meer, hoogstens kunnen er enkel conventionele regels voor in de plaats komen. Maar door geestelijke kennis leren wij inzien, dat deze wereld niet de enige is, integendeel, dat ze overal doortrokken is van het geestelijke, en wij leren ook inzien, hoe wij het morele en immorele van ons handelen binnendragen in deze wereld van de geest.

Leren wij de waarheid kennen als het gezonde en de dwaling als het ziekmakende, dan strekken wij dit inzicht ook uit tot de morele waarheid en de immorele dwalingen. en wij leren inzien, hoe de mens, door zich over te geven aan de morele waarheid, naar ziel en geest een volledig ontwikkeld mens wordt. Dat behoeft in het tegenwoordige aardse lichaam niet onmiddellijk tot uitdrukking te komen, maar wie morele impulsen in zich draagt, ontplooit zich innerlijk tot een geestelijk-moreel mens. Doordat iemand zich overgeeft aan de dwaling, wordt hij innerlijk naar geest en ziel een gebrekkige.

Zo leert men het morele kennen als iets wat gezond, en de dwaling als iets wat ziek maakt, en men gaat inzien dat door het leven in de morele waarheid de mens harmonisch gevormd wordt. Maar in de ontwikkelingscyclus, waarin wij ons bevinden, uit zich dat niet onmiddellijk in het fysieke lichaam, dat wij dragen als resultaat van wat wij ons in het vorige aardeleven hebben eigen gemaakt. Maar wanneer wij ons overgeven aan de moreel gezonde waarheid of aan de moreel ongezonde dwaling, worden wij naar geest en ziel respectievelijk gezonde harmonische mensen of wij worden verminkt.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 231 – Der übersinnliche Mensch anthroposophisch  erfaßt – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 43-44)

Rudolf Steiner – Tussen dood en nieuwe geboorte – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 41-42) – 1979 UItgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

Vertaling:M. Macintosh

Eerder geplaatst op 7 november 2020

504x840

Kenmerkend voor het bewustzijn

De planten verkeren in een voortdurende slaaptoestand. Wie in deze dingen niet nauwkeurig oordeelt, kan gemakkelijk in de dwaling vervallen ook aan de planten een soort van bewustzijn toe te schrijven, zoals dieren en mensen dat in de waaktoestand hebben. Dit kan echter alleen geschieden, als men zich een onnauwkeurige voorstelling van het bewustzijn vormt. Men zegt dan dat de plant bepaalde bewegingen uitvoert, als er een uitwendige prikkel op wordt uitgeoefend, zoals ook bij het dier het geval is. Men spreekt van de gevoeligheid van verschillende planten, die b.v. haar bladeren samentrekken, wanneer bepaalde uiterlijke dingen op hen inwerken. 

Maar het is niet kenmerkend voor het bewustzijn, dat een wezen op een inwerking een bepaalde reactie vertoont, maar dat het wezen innerlijk iets beleeft, wat als een nieuw element bij de enkele reactie komt. Anders zou men ook van bewustzijn kunnen spreken, wanneer een stuk ijzer zich onder invloed van warmte uitzet. Bewustzijn is pas aanwezig, wanneer het wezen onder de inwerking van de warmte bijvoorbeeld innerlijk pijn beleeft.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS: Wesen der Menschheit – bladzijde 59-60

Deze vertaling is van F. Wilmar 

Mimosa-Plant-AKA-The-Tickle-Me-Plant-Reacts-To-Touch

Herinnering bij dieren

Nog gemakkelijker dan in de dwaling te vervallen, aan een plant bewustzijn toe te schrijven, kan men in de dwaling vervallen, bij het dier van herinnering te spreken. Het ligt zo na voor de hand, aan herinnering te denken, wanneer de hond zijn meester herkent, die hij wellicht vrij lang niet heeft gezien. Maar in waarheid berust zo’n herkennen volstrekt niet op herinnering, maar op heel iets anders. De hond ondervindt een bepaalde aantrekking tot zijn meester. Die gaat van diens wezen uit. Dat wezen veroorzaakt bij de hond een lustgevoel, wanneer de meester voor hem tegenwoordig is. En telkens, wanneer deze tegenwoordigheid van de meester weer optreedt, is zij de aanleiding tot de hernieuwing van dat lustgevoel. 

Herinnering is echter alleen dan aanwezig, wanneer men een wezen niet slechts met zijn belevingen in het heden gewaarwordt, maar wanneer het de belevingen uit het verleden bewaart. Men zou dit zelfs kunnen toegeven, en dan toch nog in de dwaling kunnen vervallen, dat de hond herinneringsvermogen zou hebben. Men zou namelijk kunnen zeggen, dat hij treurt, wanneer zijn meester hem verlaat, en dat hem dus de herinnering aan zijn meester bijblijft. Ook dit is onjuist geoordeeld. Door het samenleven met de meester wordt diens aanwezigheid voor de hond een behoefte, en hij wordt daardoor diens afwezigheid op dezelfde wijze gewaar, als hij honger gewaarwordt. Wie zulke onderscheidingen niet maakt, zal niet tot klaarheid komen over de ware verhoudingen in het leven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS: Wesen der Menschheit – bladzijde 62-63

tactic_memory-spel_animals_babies_memo_178726_20200213140818

Deze vertaling is van F. Wilmar