Zonderlinge kletspraat

Een groter begrip voor de geesteswetenschap kan in bredere kring slechts bereikt worden, doordat men geheel onverholen vanuit spiritueel standpunt ook voor een onvoorbereid publiek spreekt. Dan zullen er onder deze onvoorbereide mensen een groot aantal zijn, die zeggen: ‘Dat is allemaal maar dwaasheid, fantasterij, niets dan verzonnen nonsens, wat daar naar voren wordt gebracht!’ Enigen zullen er echter altijd zijn, die door de innerlijkste behoeften van hun ziel een vermoeden ervan krijgen dat er toch iets in steekt, en die zullen verder gaan en zich er meer en meer inleven. Zulk een geduldig inleven is het waar het op aankomen moet, en dat is het ook wat we bereiken kunnen. Daarom zal het heel natuurlijk zijn dat een groot deel van degenen die alleen uit nieuwsgierigheid naar een voordracht over geesteswetenschap komen, nadien gemakkelijk in de wereld het oordeel rondstrooit: Dat is een sekte die niets dan  zonderlinge kletspraat (Duits: besonderes Kauderwelsch) verspreidt!

Bron: Rudolf Steiner – GA 107 – Geisteswissenschaftliche Menschenkunde – Berlijn, 21 oktober 1908 (bladzijde 27)  

Eerder geplaatst op 12 november 2014

Advertenties

Tolerantie voor andere meningen

Het is toch zeer merkwaardig in onze tijd dat zowat niemand meer fatsoenlijk  naar de ander luistert! Kan men eigenlijk nog wel één zin spreken, zonder dat de andere persoon al bij de eerste woorden zijn eigen mening zegt en mening tegenover mening staan blijft? Zo is in feite de huidige beschaving, dat niemand meer luistert, dat iedereen alleen zijn eigen mening waardevol vindt en dat hij iedereen die niet de mening heeft die hij zelf heeft voor een dwaas houdt. Maar, mijn lieve vrienden, als een mens een mening uit, en als we deze nog zo zeer als dwaas beschouwen, het is een menselijke mening, en het moet door ons worden verdragen, we moeten kunnen luisteren. […]

Als iemand zelf iets wijs geworden is, dan ziet men het graag – vergeef me  het gebruik van de harde uitdrukking – als mensen je domme dingen vertellen. Soms vindt men de domheden zelfs verstandiger dan wat de gemiddeld verstandige mensen (Duits: durchschnittsgescheiten Leute) zeggen, want achter de dwaasheden steekt soms oneindig veel meer menselijkheid dan achter de gemiddelde slimheden van de gemiddeld verstandige mensen. Voor een werkelijk steeds dieper doordringend inzicht in de wereld begint eigenlijk een steeds grotere interesse voor de menselijke dwaasheid. Want deze dingen zijn voor de verschillende werelden altijd verschillend. Een mens die een dwaas is in de ogen van een verstandig mens van onze gewone fysieke wereld, kan soms met deze dwaasheden de openbaring zijn voor iets wat wijsheden zijn in een heel andere wereld, die echter alleen, zou ik willen zeggen, gebroken en karikaturaal tevoorschijn komen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 257 – Anthroposophische Gemeinschaftsbildung – Dornach, 4 maart 1923 (bladzijde 191-192)

Er zijn zo veel gezondheden als er mensen zijn: voor ieder mens zijn individuele gezondheid

Een eeuwenoud gezegde is tot vandaag de dag vooral bij het gewone volk bewaard gebleven. Men zegt zo dikwijls dat wat de eenvoudige mens aan zulke gezegdes behouden heeft, heel vaak iets goeds bevat. – Ja, maar even vaak is het iets dat niet juist is! En zo is het ook met dit gezegde: Er zijn zo veel ziekten, maar slechts één gezondheid. – Dat is echter toch een dwaasheid. Er zijn zo veel gezondheden als er mensen zijn: voor ieder mens zijn individuele gezondheid.

Hiermee is al uitgesproken dat alle algemene, stereotiepe regels, dit en dat is gezond voor de mensen, een onding is. Juist het deel van de mensheid dat in de ban is van de gezondheidsmanie, lijdt het allermeeste onder de algemene voorschriften voor de gezondheid en onder het geloof dat er überhaupt iets zou zijn wat men algemeen als gezondheid zou kunnen aangeven en de mening, dit en dat moet men doen, dat is gezond.

Het is ongelooflijk dat niet wordt ingezien dat voor de ene mens zonnebaden gezond kan zijn, maar dat het echter niet gegeneraliseerd mag worden; het kan voor een ander zeer schadelijk zijn. In het algemeen geeft men dat toe, maar in de praktijk handelt men er niet naar. We moeten duidelijk inzien: Gezondheid is een relatief begrip, het is iets dat voortdurend verandering ondergaat, in het bijzonder voor de mens, die het gecompliceerdste wezen op de aardbol is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – München, 5 december 1907 (bladzijde 212-213)

Eerder geplaatst op 28 juli 2014 

Antroposofie – Moraal – Egoïsme (2 van 5)

Eigenlijk zou dit een ernstig verwijt zijn, als men zou kunnen zeggen, dat antroposofie de mensen ertoe zou brengen moreel handelen niet uit medegevoel en medelijden te ontwikkelen, maar dat het zou voortkomen uit vrees voor straf. Vragen wij ons nu of zulk een verwijt werkelijk gerechtvaardigd is. Dan moeten wij ons diep, zeer diep met het bovenzinnelijke onderzoek bezighouden, als wij een dergelijk verwijt aan de antroposofie werkelijk grondig weerleggen willen. […]

Een dieper doordringen in wat de antroposofie ons zegt, kan leren dat de mens zo in de mensheid als geheel is geplaatst, dat hij met een immorele handeling niet slechts iets volbrengt dat hem wellicht straf oplevert, maar dat hij met een immorele gedachte, een  immorele daad of gezindheid in de ware zin iets onzinnigs volbrengt, iets wat zich niet laat verenigen met een werkelijk gezond denken. Daarmee is veel gezegd. Een immorele handeling stelt niet slechts een daaropvolgende karmische straf in het vooruitzicht, maar is ten diepste een handeling die men in het geheel niet zou moeten begaan.

Nemen we aan, een mens begaat een diefstal. De mens loopt daardoor een karmische straf op. Als men dit vermijden wil, dan steelt men dus niet. Maar de zaak is nog gecompliceerder. Vragen we ons: Wat wil degene, die liegt of steelt? De leugenaar of de dief willen zich een voordeel verschaffen, de leugenaar wil wellicht een onaangename situatie uit de weg ruimen. Zin heeft een dergelijke handeling slechts dan, wanneer men zich werkelijk een voordeel verschaft door leugens of stelen. Zou de mens nu onderkennen dat hij dat in het geheel niet hebben kan, dat hij zich vergist, dat hij integendeel een nadeel veroorzaakt, dan zou hij tegen zichzelf zeggen: het is onzin om aan zulk een handeling ook slechts maar te denken. Als antroposofie steeds meer doordringt in de menselijke beschaving, dan zullen de mensen weten dat het een dwaasheid is, ja, dat het belachelijk is om te geloven dat men zich door leugens of diefstal datgene kan verschaffen, wat men gelooft zich te verschaffen.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 127 – Die Bedeutung der Geistesforschung für das sittliche Handeln – Bielefeld, 6 maart 1911 (bladzijde 126-127)

Eerder geplaatst op 8 december 2015

Getransformeerde woede

Wie in het leven goed om zich heen kijkt zal zien dat de mens die niet in edele woede kan ontsteken over een onrecht of een dwaasheid, ook nooit tot ware mildheid en liefde kan komen. Wanneer u om u heen kijkt zult u zien dat de mens die het voor zijn vorming nog nodig heeft om in edele woede te ontsteken wanneer hij geconfronteerd wordt met onrecht of dwaasheid, ook bezig is een liefdevol hart te ontwikkelen, dat door liefde gedreven wordt het goede te doen. Woede die overwonnen, die gelouterd wordt, verandert in liefde en mildheid. Een liefdevolle hand zou in deze wereld een zeldzaam verschijnsel zijn, wanneer zij niet tevens in staat was zich nu en dan tot een vuist te ballen wanneer de mens in edele woede ontsteekt over een onrecht of dwaasheid. Dat zijn dingen die bij elkaar horen. Getransformeerde woede is liefde. Dat is wat de realiteit ons leert. Daardoor heeft de woede, die de perken niet te buiten gaat, de functie de mens tot de liefde te brengen; we zouden kunnen zeggen, dat de woede opvoedt tot liefde.

Bron: Rudolf Steiner – GA 58 – Metamorfosen van het zielenleven  – München, 5 december 1909 (bladzijde 69-70)

Vertaling: Margreet Meijer-Kouwe

Eerder geplaatst op 10 november 2012