Voed jezelf op en laat je kind met rust

[…] het kind is oog in de eerste zeven jaar. Wanneer in de omgeving van het kind – laten we zeggen iets geschreeuwd wordt – een woede-uitbarsting plaatsvindt, wanneer er iemand woedend wordt, dan zal het kind in zijn innerlijk een beeld van deze woede-aanval hebben.[…] Van hieruit gaat nu in heel de circulatie en in het hele vatenstelsel van de stofwisseling iets over wat met die woede-aanval verwant is.

Dat is in de eerste zeven jaar zo en daar stelt het organisme zich op in. Natuurlijk zijn dit geen grove dingen. Fijnzinnige dingen zijn het; maar wanneer het kind in de omgeving van een driftige vader of een driftige opvoeder opgroeit, dan zal het vatenstelsel zich instellen, zich oriënteren op woede. En wat dan uit deze ingeplante aanleg komt, blijft voor het hele leven.

Dat zijn bij het kind de allerbelangrijkste zaken. Wat je het kind zegt, wat je het kind aanleert maakt nog geen indruk; het bootst na wat je in het spreken tot hem zegt, dat maakt indruk.

Maar hoe je bent, of je goed bent en of deze goedheid in je gebaren tot uitdrukking komt of dat je boos bent, opvliegend en dàt uit je gebaren spreekt, kortom alles wat je zelf doet, gaat in het kind verder.

Dat is het wezenlijke. Het kind is helemaal zintuig, reageert op alles wat door de mens als indruk in hem wordt opgeroepen. Daarom is het meest wezenlijke dat je niet gelooft dat je het kind iets zou kunnen leren van wat goed, wat slecht is, dit of dat zou kunnen leren, maar dat je weet: alles wat je doet in de omgeving van het kind, verandert in het kinderlijke organisme in lichaam, ziel en geest.

De gezondheid voor heel zijn leven hangt ervan af hoe jij je in de omgeving van een kind gedraagt. De neigingen die het kind ontwikkelt hangen af van hoe jij je in de omgeving van het kind gedraagt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 311 – Die Kunst des Erziehens aus dem Erfassen der Menschenwesenheit – Torquay, 13 August 1924 (bladzijde 25-26)

Vertaling: Pieter H.A. Witvliet – De gehele vertaalde voordracht is te vinden op zijn weblog VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 311 – voordracht 2

P.S. De titel van deze blog is geen uitspraak van Steiner , maar van Krishnamurti. 

Eerder geplaatst op 5 januari 2017 (2 reacties)

Karma en keuze

Ik heb in een openbare voordracht aangeduid hoe het kind geheel en al zintuigorgaan is, hoe het ieder gebaar, iedere beweging van de mensen om hem heen beleeft. Maar het beleeft ieder gebaar, iedere beweging in zijn morele betekenis, zodat het kind aan een driftige, opvliegende vader het immorele beleeft, dat met de opvliegendheid verbonden kan zijn. En het kind beleeft in de fijnste bewegingen, die de mens in zijn omgeving maakt, de gedachten die deze mens heeft. We zouden onszelf daarom nooit moeten toestaan onzuivere, immorele gedachten in de omgeving van een kind te hebben en zeggen: In gedachten kunnen we dat toelaten, het kind weet toch niets daarvan. – Dat is niet waar. Als we denken, bewegen zich altijd op een bepaalde manier op zijn minst onze innerlijke zenuwstrengen. Deze neemt ook het kind waar, vooral in de allereerste jaren. Het kind is een subtiele waarnemer en nabootser van zijn omgeving. Maar het merkwaardige, ik zou willen zeggen, het in verheven zin interessante is, dat het kind niet alles nabootst, maar dat het een keuze maakt. En deze keuze gebeurt eigenlijk op een zeer gecompliceerde wijze.

Bedenkt u dus eens, in de omgeving van het kind handelt een ondoordachte, opvliegende vader, die allerlei dingen doet die eigenlijk niet goed zijn. Omdat het kind geheel zintuigorgaan is, moet het al deze dingen opnemen, omdat het oog zich niet verweren kan, het moet dat zien, wat in zijn omgeving is. Maar het kind neemt wat het daar ontvangt, alleen in waaktoestand op. Nu begint het kind te slapen. Kinderen slapen veel. En tijdens de slaap maakt nu het kind de keuze. Datgene wat hij wil opnemen, stuurt het vanuit zijn ziel in zijn lichaam. Wat het niet opnemen wil, stoot hij gedurende de slaap naar buiten in de etherische wereld, zodat het kind alleen dat in zijn lichamelijkheid absorbeert, waartoe het is bestemd door zijn karma, door zijn lot. De werkingen van het lot ziet men in het bijzonder levendig in de allereerste kinderjaren.

Bron: Rudolf Steiner – GA 226 – Menschenwesen, Menschenschicksal und Welt-Entwickelung – Kristiana (Oslo), 19 mei 1923 (bladzijde 66)

Eerder geplaatst op 31 augustus 2013