In het leven op aarde hangt het geestelijke af van het fysieke

Helemaal niets wat een mens hier op aarde ervaart, kan worden ervaren zonder op het fysieke gebaseerd te zijn. Men zou bijvoorbeeld heel gemakkelijk kunnen geloven dat het denken een puur geestelijke actie is en, zoals het zich afspeelt in de menselijke ziel op aarde, niets te maken heeft met het fysieke bestaan. 

Dat is in zeker opzicht juist. Maar hoe zelfstandig  geestelijk het denken van de mens ook is, toch zou dit denken hier in het aardse bestaan ​​niet kunnen plaatsvinden als de mens niet op zijn lichaam en zijn processen zou kunnen steunen. Ik kan een vergelijking gebruiken die ik hier bij deze gelegenheid al vaker heb gebruikt.

Wanneer een mens over de aardbodem loopt, dan bevat de grond zeer zeker niets essentieels wat de mens betreft; de mens draagt ​​het wezenlijke binnen zijn huid. Maar de mens zou als fysiek mens helemaal niet in het fysieke bestaan ​​kunnen zijn zonder de steun van de aarde.

En zo is het ook met het denken, dat leeft als een proces van de ziel. In wezen is het zeer zeker niet zomaar een hersenproces, maar het zou niet kunnen verlopen als het niet de hersenen had voor ondersteuning hier in het fysieke leven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 218 – Geistige  Zusammenhänge in  der  Gestaltung des  menschlichen  Organismus – Stuttgart, 4 december 1922 (blz. 266)

Rudolf-Steiner+Geistige-Zusammenhänge-in-der-Gestaltung-des-menschlichen-Organismus

Het materialisme

Het materialisme kan nooit een bevredigende verklaring van de wereld leveren. Immers bij iedere poging om te verklaren moet men beginnen met zich gedachten over de wereldverschijnselen te vormen. Het materialisme begint derhalve met gedachten over de stof of het stoffelijke gebeuren. Daarmede ziet het zich in feite reeds voor twee verschillende gebieden gesteld; de stoffelijke wereld en de gedachten daarover. Het tracht deze laatste te begrijpen door ze als een zuiver stoffelijk proces op te vatten. Het gelooft, dat het denken in de hersenen ongeveer op gelijke wijze tot stand komt, als de spijsvertering in de stofwisselingsorganen. 

Zoals het materialisme aan de stof mechanische en organische werkingen toeschrijft, zo kent het aan de stof ook het vermogen toe, onder bepaalde voorwaarden te denken. Het vergeet echter,dat het nu het probleem slechts verschoven heeft. In plaats van aan zichzelf, schrijft het materialisme het vermogen om te denken aan de materie toe. En daarmee is het dan weer bij zijn uitgangspunt teruggekomen. 

Hoe komt de stof er toe over zijn eigen wezen te gaan nadenken? Waarom is hij niet eenvoudig met zichzelf tevreden en aanvaardt zijn bestaan? Van het bepaalde subject, van ons eigen Ik, heeft de materialist zijn blik afgewend en is terecht gekomen bij een onbepaald, een vaag complex. En hier staat hij dan weer voor hetzelfde  raadsel. De materialistische beschouwing is niet in staat het probleem op te lossen, doch kan het slechts verschuiven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 4 – DIE  PHILOSOPHIE DER  FREIHEIT – II. Der Grundtrieb zur Wissenschaft (Seite 30-31)

Nederlandstalige bron: Rudolf Steiner – De filosofie der vrijheid – Uitgeverij Servire – Vertaling P. Los-Wierixks

cms_visual_1224816.jpg_1567871351000_286x450

Sociale samenleving / Denken, voelen en willen

Uiteindelijk komen alle uiterlijke gebeurtenissen in het sociale samenleven van mensen voort uit de manier waarop mensen denken, voelen en willen. Het is slechts een zwakte van onze tijd als men alles wat de mens denkt en voelt en wil zou willen afleiden uit uiterlijke gebeurtenissen; dat de mensen in zekere zin gezien worden als een product van uiterlijke gebeurtenissen en instellingen.

In werkelijkheid komt alles wat er bestaat aan uiterlijke instellingen voort uit wat mensen hebben gedacht, gevoeld en gewild. Daarom gaat het er om in te zien dat gezonde uiterlijke instellingen voortkomen uit gezonde gedachten, ongezonde uiterlijke instellingen voortkomen uit ongezonde gedachten en vice versa. Een tijdperk dat over veel dingen ongezond moet nadenken, zal over het uiterlijke leven geen gezonde wil, geen gezonde wilsimpulsen kunnen ontwikkelen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 332a – Soziale  Zukunft – Zürich, 28 oktober 1919 (bladzijde 144)

a4618542165899.Y3JvcCwxNDEzLDExMDYsMTgxLDQ1MA

  

Over radijs, aardappelen en denken

Als men een stimulans voor het denken nodig heeft, dan moet men vooral de hartige prikkeling van bijvoorbeeld radijs gebruiken. Als iemand niet erg levendig in het hoofd is, dan doet het hem goed, omdat de gedachten een beetje in beweging gebracht worden als hij radijs aan zijn eten toevoegt. Men kan zeggen: radijsjes stimuleren het denken. – En men hoeft zelf geheel niet erg actief te zijn in het denken; de gedachten komen als men radijs eet, zulke sterke gedachten dat ze zelfs nog krachtige dromen geven.

Wie veel aardappelen eet, krijgt niet sterke gedachten, daarentegen komen er dromen, die hem zwaar maken. En degene die voortdurend aardappelen moet eten, die zal eigenlijk constant moe zijn en voortdurend willen slapen en dromen. Daarom heeft het een groot cultuurhistorisch belang en historische betekenis wat voor voedingsmiddelen de mensen eigenlijk krijgen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 350 – Wie kommt man zum Schauen der geistigen Welt? – Dornach, 18 juli 1923 (bladzijde 210-211)

160714_2001811

Eerder geplaatst op 19 mei 2017  (3 reacties)

Het lesurenrooster op scholen: deze om zeep helper van een echte ontwikkeling van de menselijke vermogens

Het is noodzakelijk,  zonder dat de boog te gespannen wordt, dat niet door inspanning, maar door economie van de opvoeding, concentratie bij de kinderen wordt opgeroepen. Dit kunnen we op de manier die de mens van nu nodig heeft, alleen bereiken, wanneer we iets afschaffen wat tegenwoordig nog heel geliefd is: wanneer we dat vervloekte urenlesrooster in de scholen afschaffen; deze om zeep helper van een echte ontwikkeling van de menselijke vermogens. 

Denk eens in wat het betekent: van 7-8 rekenen; van 8-9 taal; van 9-10 aardrijkskunde; van 10-11 geschiedenis!  Alles wat van 7-8 door de ziel gaat, wordt van 8-9 weer uitgewist, enz. Nu is het zaak bij deze dingen tot de basis te gaan. We mogen er helemaal niet meer aan denken dat er leervakken zijn, dat er ‘leervakken’ geleerd moeten worden, maar voor ons moet het helder zijn: in de mens van 7-14 jaar moeten op de juiste manier denken, voelen en willen ontwikkeld worden. Aardrijkskunde, rekenen, alles moet zo gebruikt worden, dat op een goede manier denken, voelen en willen ontwikkeld worden. […] Voor een bepaalde leeftijd is het bijv. vooral nodig zoiets als rekenen aan te leren. Daarvoor moet je twee, drie maanden de tijd nemen om dan ‘s morgens het rekenen aan te leren. Geen urenrooster waarop alles door elkaar staat, maar een tijd lang rekenen – dan verdergaan. En dan de zaken zo organiseren dat ze ingaan op wat de natuur van de mens op een bepaald tijdstip nodig heeft. Wie denkt er vandaag-de-dag aan dat het urenrooster moord betekent voor een echte opvoeding van de mens?

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 10 augustus 1919 (bladzijde 50-51)

Overgenomen van de WordPress site van Pieter Witvliet VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over periodeonderwijs.

Denken-voelen-willen-in-de-antroposofie-zijn-zielskrachten

Eerder geplaatst op 25 februari 2017  (1 reactie)