Besef van goed en kwaad

Vergelijkt u de ziel van een gemiddelde Europese mens met de ziel van mensen, zoals Darwin ze nog getroffen heeft. De ziel van de hedendaagse mens heeft besef van goed en kwaad, van recht en onrecht, van waar en onwaar. Darwin wilde eens een inboorling, die nog kannibaal was, duidelijk maken: Je mag geen mensen eten, dat is slecht, dat mag men niet doen. – De inboorling keek hem vreemd aan en zei: Ja, hoe kun jij dat weten, je moet hem toch eerst gegeten hebben. Als we hem gegeten hebben, dan weten we of hij goed of slecht was.

Zo is een onvolmaakte ziel, die zich door de ontwikkeling steeds volmaakter en volmaakter zal vormen. Onze ziel komt niet bij de individuele mens als een baby op de wereld, maar deze ziel heeft zich eerst vanuit onvolkomen incarnaties ontwikkeld, waarin zij niets anders begrepen heeft van goed en slecht als het aangename en onaangename voor de tong en de smaak en dergelijke. Door zulke stadia heeft zij zich ontwikkeld en is zij door veel belichamingen steeds lerend tot ons niveau opgeklommen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 –Die Welträtsel und die Anthroposophie – Berlijn, 15 februari 1906 (bladzijde 286-287)

Eerder geplaatst op 3 april 2014

Geheimzinnige zaak

Het knooppunt, en tegelijk het keerpunt in de menselijke ontwikkeling is de tijd van de scheiding der geslachten. Er was een tijd dat de beide geslachten in het mensenwezen verenigd waren. De mogelijkheid van zulk een toestand heeft zelfs Darwin erkend. Door de scheiding der geslachten is dit nieuwe, geweldige element in de wereld gekomen: de liefde. De aantrekkingskracht der liefde is een zo machtige en geheimzinnige zaak, dat bijvoorbeeld tropische vlinders van verschillend geslacht, die men uit de tropen naar Europa gebracht heeft en die vijftienhonderd kilometer van elkaar verwijderd waren, meteen nadat ze vrijgelaten waren, elkaar tegemoet vlogen en op de helft van de weg elkaar ontmoetten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 094 – Kosmogonie – Parijs, 27 mei 1906 (bladzijde 29)

Eerder geplaatst op 2 januari 2016

Anekdote

Er bestaat een leuke anekdote over hoe de verschillende volkeren natuurlijke historie, laten we zeggen bijvoorbeeld van een kangoeroe, studeren, of bijvoorbeeld van een dier in Afrika.

De Engelsman maakt een reis naar Afrika – zoals Darwin ooit, om tot de natuurwetenschap te komen, zijn wereldreizen gemaakt heeft -, en beschouwt het dier in de omgeving, waar het werkelijk leeft. Dan kan hij zien hoe het leeft, hoe zijn natuurlijke omstandigheden zijn.

De Fransman brengt het dier vanuit de wildernis in de dierentuin. Hij bestudeert het in de dierentuin; hij beschouwt het dier niet in zijn natuurlijke omgeving, maar in de dierentuin.

Maar de Duitser, wat doet die dan? Die bemoeit zich helemaal niet met het dier, hoe het eruit ziet, maar hij gaat in zijn studeerkamer zitten en begint na te denken. Het Ding an sich interesseert hem niet – in lijn met de Kantiaanse filosofie, zoals ik u onlangs verteld heb -, maar alleen wat in zijn hoofd is. Dan denkt hij er iets over uit. En nadat hij er lang genoeg over nagedacht heeft, zegt hij iets. Maar dat komt niet met de werkelijkheid overeen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 353 – Die Geschichte der Menschheit und die Weltanschauungen der Kulturvölker – Dornach, 20 mei 1924 (bladzijde 273)

Eerder geplaatst op 5 september 2016 

Anekdote

Er bestaat een leuke anekdote over hoe de verschillende volkeren natuurlijke historie, laten we zeggen bijvoorbeeld van een kangoeroe, studeren, of bijvoorbeeld van een dier  in Afrika.

De Engelsman maakt een reis naar Afrika – zoals Darwin ooit, om tot de natuurwetenschap te komen, zijn wereldreizen gemaakt heeft -, en beschouwt het dier in de omgeving, waar het werkelijk leeft. Dan kan hij zien hoe het leeft, hoe zijn natuurlijke omstandigheden zijn.

De Fransman brengt het dier vanuit de wildernis in de dierentuin. Hij bestudeert het in de dierentuin; hij beschouwt het dier niet in zijn natuurlijke omgeving, maar in de dierentuin.

Maar de Duitser, wat doet die dan? Die bemoeit zich helemaal niet met het dier, hoe het eruit ziet, maar hij gaat in zijn studeerkamer zitten en begint na te denken. Het Ding an sich interesseert hem niet – in lijn met de Kantiaanse filosofie, zoals ik u onlangs verteld heb -, maar alleen wat in zijn hoofd is. Dan denkt hij er iets over uit. En nadat hij er lang genoeg over nagedacht heeft, zegt hij iets. Maar dat komt niet met de werkelijkheid overeen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 353 – Die Geschichte der Menschheit und die Weltanschauungen der Kulturvölker – Dornach, 20 mei 1924 (bladzijde 273)

Besef van goed en kwaad

Vergelijkt u de ziel van een gemiddelde Europese mens met de ziel van mensen, zoals Darwin ze nog getroffen heeft. De ziel van de hedendaagse mens heeft besef van goed en kwaad, van recht en onrecht, van waar en onwaar. Darwin wilde eens een inboorling, die nog kannibaal was, duidelijk maken: Jij mag geen mensen eten, dat is slecht, dat mag men niet doen. – De inboorling keek hem vreemd aan en zei: Ja, hoe kun jij dat weten, je moet hem toch eerst gegeten hebben. Als wij hem gegeten hebben, dan weten we of hij goed of slecht was. – Zo is een onvolmaakte ziel, die zich door de ontwikkeling steeds volmaakter en volmaakter zal vormen. Onze ziel komt niet bij de individuele mens als een baby op de wereld, maar deze ziel heeft zich eerst vanuit onvolkomen incarnaties ontwikkeld, waarin zij niets anders begrepen heeft van goed en slecht als het aangename en onaangename voor de tong en de smaak en dergelijke. Door zulke stadia heeft zij zich ontwikkeld en is zij door veel belichamingen steeds lerend tot ons niveau opgeklommen.

papoeas-in-nieuw-guinea-1955_0

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 –Die Welträtsel und die Anthroposophie – Berlijn, 15 februari 1906 (bladzijde 286-287)

Eerder geplaatst op 12 februari 2012