Antipathie en karma (1 van 4)

Laten we eens aannemen, dat iemand uit haat of antipathie zijn medemensen kwaad doet, men kan zich dat in allerlei graden voorstellen. Iemand kan uit een misdadig gevoel van haat zijn medemensen kwaad doen. Hij kan ook een criticus zijn – ik laat nu de tussenliggende graden weg -, om dat te zijn moet men altijd een beetje haten, als men tenminste geen prijzende criticus is – dat komt namelijk tegenwoordig zelden voor, omdat het niet interessant is de dingen te waarderen. Het wordt pas interessant, als men grappen over de dingen maakt, er zijn natuurlijk allerlei tussenvormen, maar het gaat hier om daden die uit koude antipathie – die zelfs tot haat kan worden – worden bedreven. Men is het zich zelfs vaak niet bewust, dat men het daarom doet. Alles wat tegen mensen of zelfs lagere wezens wordt gedaan, verandert in zielstoestanden, die ook gespiegeld worden tussen dood en volgende geboorte.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 235 – Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge – Erster Band – Dornach, 24 februari 1924 (bladzijde 72)

Nederlandse uitgave: Rudolf Steiner – GA 235 – Geesteswetenschappelijke beschouwingen van het karma (bladzijde 68) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976 –

Vertaald door A. Goedheer-de Keizer en H.L. Veltman-Arntzenius

Eerder geplatst op 29 juli 2014

Moet men zich van alle kritiek onthouden? (4 van 5)

Woorden en gedachten die smart teweegbrengen zijn als scherpe pijlen die van ons uitgaan. En aan de punt van de pijl vindt de goddelijke stem een hindernis; hij stuit terug en blijft onmerkbaar. Woorden en gedachten echter die van liefde vervuld zijn, openen zich als bloemenkransen naar buiten, die zacht de andere wezens omsluiten; en bij hen vindt de stem van hogere machten de weg open om tot de wereld door te dringen. Alleen daardoor wordt hij voor ons hoorbaar.

Ten tweede: is men echter genoodzaakt smart te veroorzaken, heeft men misschien zelfs de plicht daartoe als rechter of criticus, dan geldt de wet niet minder. Ook de smart waartoe men gedwongen is, remt de ontwikkeling. Men moet de zaak dan als zijn karma zien. Want als men zich aan die verplichting zou willen onttrekken, om de eigen ontwikkeling te bevorderen, dan zou men uit zelfzucht handelen en daardoor zou men de ontwikkeling in de meeste gevallen meer ophouden dan men ze door het onttrekken aan het veroorzaken van verdriet bevordert.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis» – juni 1905 (bladzijde 389-390)

Eerder geplaatst op 23 april 2013

Antipathie en karma (1)

Laten we eens aannemen, dat iemand uit haat of antipathie zijn medemensen kwaad doet, men kan zich dat in allerlei graden voorstellen. Iemand kan uit een misdadig gevoel van haat zijn medemensen kwaad doen. Hij kan ook een criticus zijn – ik laat nu de tussenliggende graden weg -, om dat te zijn moet men altijd een beetje haten, als men tenminste geen prijzende criticus is – dat komt namelijk tegenwoordig zelden voor, omdat het niet interessant is de dingen te waarderen. Het wordt pas interessant, als men grappen over de dingen maakt, er zijn natuurlijk allerlei tussenvormen, maar het gaat hier om daden die uit koude antipathie – die zelfs tot haat kan worden – worden bedreven. Men is het zich zelfs vaak niet bewust, dat men het daarom doet. Alles wat tegen mensen of zelfs lagere wezens wordt gedaan, verandert in zielstoestanden, die ook gespiegeld worden tussen dood en volgende geboorte.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 235 – Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge – Erster Band – Dornach, 24 februari 1924 (bladzijde 72)

Nederlandse uitgave: Rudolf Steiner – GA 235 – Geesteswetenschappelijke beschouwingen van het karma (bladzijde 68) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976 – Vertaald door A. Goedheer-de Keizer en H.L. Veltman-Arntzenius

Eerder geplaatst op 22 mei 2012

Moet men zich van alle kritiek onthouden? (4)

Woorden en gedachten die smart teweegbrengen zijn als scherpe pijlen die van ons uitgaan. En aan de punt van de pijl vindt de goddelijke stem een hindernis; hij stuit terug en blijft onmerkbaar. Woorden en gedachten echter die van liefde vervuld zijn, openen zich als bloemenkransen naar buiten, die zacht de andere wezens omsluiten; en bij hen vindt de stem van hogere machten de weg open om tot de wereld door te dringen. Alleen daardoor wordt hij voor ons hoorbaar. Ten tweede: is men echter genoodzaakt smart te veroorzaken, heeft men misschien zelfs de plicht daartoe als rechter of criticus, dan geldt de wet niet minder. Ook de smart waartoe men gedwongen is, remt de ontwikkeling. Men moet de zaak dan als zijn karma zien. Want als men zich aan die verplichting zou willen onttrekken, om de eigen ontwikkeling te bevorderen, dan zou men uit zelfzucht handelen en daardoor zou men de ontwikkeling in de meeste gevallen meer ophouden dan men ze door het onttrekken aan het veroorzaken van verdriet bevordert.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 389-390)

Antipathie en karma (1)

Laten we eens aannemen, dat iemand uit haat of antipathie zijn medemensen kwaad doet, men kan zich dat in allerlei graden voorstellen. Iemand kan uit een misdadig gevoel van haat zijn medemensen kwaad doen. Hij kan ook een criticus zijn – ik laat nu de tussenliggende graden weg -, om dat te zijn moet men altijd een beetje haten, als men tenminste geen prijzende criticus is – dat komt namelijk tegenwoordig zelden voor, omdat het niet interessant is de dingen te waarderen. Het wordt pas interessant, als men grappen over de dingen maakt, er zijn natuurlijk allerlei tussenvormen, maar het gaat hier om daden die uit koude antipathie – die zelfs tot haat kan worden – worden bedreven. Men is het zich zelfs vaak niet bewust, dat men het daarom doet. Alles wat tegen mensen of zelfs lagere wezens wordt gedaan, verandert in zielstoestanden, die ook gespiegeld worden tussen dood en volgende geboorte.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – Geesteswetenschappelijke beschouwingen van het karma (bladzijde 68) – Uitgeverij Vrij Geestesleven 1976

GA 235 – Dornach 24 februari 1924 (bladzijde 72)