Ontvankelijkheid voor de buitenwereld

De mens is maar al te licht geneigd om, wanneer hij zich aan een bepaalde zielsactiviteit wijdt, in eenzijdigheid te vervallen. Hij kan bijvoorbeeld, wanneer hij merkt welk profijt zijn innerlijke bezinning en het verwijlen bij de eigen voorstellingswereld hem brengt, daar zo sterk toe neigen dat hij zich voor de indrukken uit de buitenwereld steeds meer afsluit. Dat leidt echter tot uitdroging en verschraling van het innerlijk leven. Het verst brengt de mens het die naast het vermogen zich in zijn innerlijk terug te trekken ook een open ontvankelijkheid bewaart voor alle indrukken uit de buitenwereld. En we hoeven daarbij niet slechts aan de zogenaamde hoogtepunten van het leven te denken; ieder mens kan in iedere situatie – ook binnen nog zo armzalige vier muren – genoeg beleven, wanneer hij daarvoor maar ontvankelijk blijft. We hoeven niet naar ervaringen op zoek te gaan; ze zijn overal te vinden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS (bladzijde 362-363)

Nederlandstalige bron: De wetenschap van de geheimen der ziel / Inzicht in hogere werelden (Over de inwijding of initiatie) – (blz. 264)

Vertaald door Wijnand Mees

Rudolf Steiner / Werken en voordrachten

© 1998 Stichting Rudolf Steiner Vertalingen

Tweede druk 2004 / Derde druk 2011 / Vierde druk 2019 

748x1200

Afwisseling in de verschillende incarnaties (1 van 2)

Zoals iemand – we hebben dat vaak benadrukt – in de loop van zijn incarnaties van geslacht wisselt, zodat hij in de regel afwisselend man en vrouw is, zo volgt in de regel op een meer gelovige incarnatie een meer verstandelijke, vervolgens weer een meer gelovige, enzovoort. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals ook meerdere mannelijke of vrouwelijke incarnaties op elkaar kunnen volgen, maar meestal bevruchten deze dingen elkaar en vullen ze elkaar aan.

Er zijn echter nog andere menselijke krachten die elkaar op deze manier aanvullen, bijvoorbeeld de beide zielsvermogens die we kunnen aanduiden als liefde en innerlijke kracht, waardoor een mens zelfgevoel heeft, innerlijke harmonie, waardoor we in onszelf verankerd zijn en weten wat ons te doen staat in het leven. Ook in dit opzicht zorgt het karma voor een afwisseling in de verschillende incarnaties, zodat een mens in de ene incarnatie meer met een toegewijde liefde voor zijn omgeving wordt uitgerust, met een neiging zichzelf te vergeten en op te gaan in zijn omgeving, terwijl die persoon zich in de volgende incarnatie weer meer geroepen voelt om zich niet in de buitenwereld te verliezen, maar innerlijk sterk te worden, zodat hij zijn kracht gebruikt om zelf verder te komen. Natuurlijk mag dit laatste niet in liefdeloosheid ontaarden, net zomin als het eerste mag ontaarden in een volledig opgeven van het eigen zelf. Deze twee dingen horen dus ook bij elkaar. 

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 135 – Wiederverkörperung und Karma und ihre Bedeutung für die Kultur der Gegenwart – Stuttgart, 21 februari 1912 (blz. 97-98)

Nederlandse uitgave: Werkingen van het karma (blz. 304-305). 

Vertaald door Anton de Rijk en Hans Schenkels met een nawoord van Hans Peter van Manen. 

Stichting Rudolf Steiner Vertalingen. Tweede druk 2004

rudolf-steiner-german-austrian-philosopher-260nw-1663000651

Innerlijke wereld / Uiterlijke wereld

Er zijn spirituele bewegingen die de mensen van de uiterlijke wereld wegvoeren (hinwegweisen); men zou het hoger zelf alleen in zichzelf moeten zoeken. Dit standpunt kan nooit tot een werkelijke kennis voeren; [….] Alleen in de gerichtheid (Hinkehr) op de wereld, die ons omringt, vinden we ons hoger zelf. We moeten de God zoeken in de onzichtbare werelden en in alle uiterlijke wezens, feiten en gebeurtenissen. Als iemand ons zegt: Verloochen de uiterlijke wereld, de uiterlijke materie schenkt ons niets -, dan ontkent zo iemand de goddelijke wereld; en er is voor grote perspectieven niets ergers als het zich afkeren van de zichtbare wereld. Juist de verdieping in de buitenwereld voert naar hogere kennis.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Berlijn, 19 april 1906 (bladzijde 467)

Eerder geplaats op 12 augustus 2017  (11 reacties)

Gewoonten, daden en lot

Door een slechte gewoonte op zich heb ik nog niets gedaan; als deze slechte gewoonte mij echter tot een daad drijft, dan verander ik door deze daad de buitenwereld. En alles wat een werking heeft in de fysieke buitenwereld, dat komt ons als uiterlijk lot in het volgende leven in de buitenwereld weer terug. Dus de daden van het fysieke lichaam in dit leven worden tot ons lot in het volgende leven. Dat ervaren we door het geplaatst worden in deze of die situatie in het leven. Dus of de mens in deze of gene levenstoestand gelukkig of ongelukkig is, dat hangt van de daden van zijn voorgaande levens af.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – THEOSOPHIE UND ROSENKREUZERTUM – Kassel, 22 juni 1907 (bladzijde 86)

bouw-goede-gewoonten-115193243

Eerder geplaatst op 26 april 2017  (3 reacties)