Men helpt zijn medemensen het meeste doordat men sober leeft

De mens denkt er weinig over na, hoe hij in de sociale samenhangen staat en mee verantwoordelijk is voor wat hij doet. Als men de dingen ernstig neemt, moet men zich verantwoordelijk voelen voor wat door iemand zelf gebeurt. Men helpt zijn medemensen het meeste doordat men sober leeft (Duits: bedürfnislos wird). Meer dan een filantroop helpt iemand zijn medemensen als hij zelf met weinig behoeften leeft. Als men bijvoorbeeld geen onnodige brieven schrijft, dan bespaart dat sommige mensen misschien vele trappen te moeten oplopen. Het is een grote vergissing als men gelooft dat men de mensen helpt, doordat men veel eisen heeft en op deze wijze voor meer werk zorgt. Men vermeerdert niet in het minst wat de mensen nodig hebben, wanneer men hen werk geeft.

Bron: Rudolf Steiner – GA 97 – Das christliche Mysterium – Keulen, 30 november 1906 (bladzijde 196-197)

Eerder geplaatst op 22 september 2014

Een echtscheiding – Anekdote door Adelheid Petersen

Rond die tijd vertoefde er in Dornach een jonge vrouw die in zwaar conflict met haar echtgenoot leefde en van hem wilde scheiden. Rudolf Steiner ontfermde zich over haar met oneindige goedheid en geduld. Langzamerhand kwam zij tot een innerlijk evenwicht en schreef haar man dat ze bij hem wilde terugkeren. Nu echter wees deze haar af op een koele, ongenaakbare toon. Vertwijfeld kwam ze met die brief bij Rudolf Steiner. “Jaa”, sprak deze,”ziet u, dat is nu eenmaal het resultaat van al die verwijtende, boze, onvriendelijke brieven die ú hem geschreven hebt.” – “Maar Herr Doktor”, riep zij uit,”ik heb die brieven toch niet verstuurd ! Ik heb ze altijd vernietigd. Ik schreef ze alleen maar om mij op te luchten !” – “Ja”, antwoordde Rudolf Steiner, “maar zijn ziel heeft ze allemaal ontvangen.”

Bron: Adelheid Petersen – Erinnerungen an Rudolf Steiner – Hoofdstuk: Dornach in den Jahren 1914-1915

Overgenomen uit tijdschrift De Brug – Trefwoord Anecdotes – AN

Eerder geplaatst op 7 mei 2014

Mijn lot heeft mij op een plaats gezet die niet bij mij past

Hoe dikwijls zijn mensen geneigd te zeggen: Mijn lot heeft mij op een plaats gezet die niet bij mij past. Ik ben, laten we zeggen bijvoorbeeld postbeambte. Als ik in een andere positie was geplaatst, dan zou ik de mensen hoge ideeën kunnen meedelen, grote leringen geven enzovoort.

De fout bij deze mensen is, dat ze hun leven niet aan het belang van hun eigen beroep aanknopen. Ziet u in mij iets belangrijks omdat ik tot de mensen hier spreken kan, dan ziet u het belangrijke in uw eigen leven en beroep niet. Als de postbodes de brieven niet bezorgden, dan zou het hele postverkeer vastlopen; veel werk dat door anderen al gedaan is, zou voor niets geweest zijn. Daarom is ieder op zijn eigen plaats van buitengewone betekenis voor het geheel, en niemand is hoger dan een ander.

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Berlijn, 7 december 1905 (bladzijde 212)

Eerder geplaatst op 26 maart 2014

Brief aan Hermann Olpp

In het boek Brieven van Rudolf Steiner staat een brief aan een zekere Hermann Olpp. Wie hij was was, weet ik niet. Achterin het brievenboek staat alleen dat hij leefde van 1897 tot 1955, economisch en fiscaal consulent was in Stuttgart en in 1916 lid van de Antroposofische vereniging werd. Wat hij precies aan Steiner geschreven heeft, is niet bekend, want die brief staat niet in het boek en zal waarschijnlijk niet bewaard zijn gebleven. Uit de antwoordbrief van Steiner kan men echter wel opmaken dat Olpp in een of andere betrekking werkte waar hij geen zin aan had en zich erg ongelukkig bij voelde.

Op 24 juli 1916 schrijft Steiner hem het volgende:

Zeer geachte Heer,

Het is moeilijk in aangelegenheden als de uwe raad te geven. Wanneer u enige tijd in de betrekking blijft die u nu hebt, komt u op eigen benen te staan en kunt u later overstappen in een richting die beter bij uw talenten en voorkeuren aansluit. Ik kan niet de mening delen dat men zich in een dergelijke betrekking zonder meer ongelukkig moet voelen. Juist vanuit een dergelijke betrekking kan iemand zich verder ontwikkelen. Als u uw huidige werkkring in ruimere zin beziet, kunt u zeggen dat u niet alleen iets voor de ontwikkeling van uw mogelijkheden doet, maar tevens iets wat andere mensen ten goede komt. En juist dit besef schenkt voldoening. Heel wat werkzaamheden bevredigen niet rechtstreeks door hun inhoud; hun zin is dat zij in dienst van de mensheid worden verricht. Wanneer u later met deze betrekking iets bij elkaar hebt gespaard, zult u vervolgens zeker gelegenheid vinden wegen in te slaan die u liggen. In deze moeilijke tijden lijkt het mij niet goed zich met geleend geld op de toekomst voor te bereiden. U neemt het mij hopelijk niet kwalijk dat ik dit zo rechtuit zeg. Het lijkt mij dat uw vader het met zijn gevoel over de zaak toch bij het juiste eind heeft. Ik kan uit eigen ervaring spreken. Ik moest zelf al vroeg op eigen benen staan; en al heb ik dat ook lange tijd als privéleraar gedaan, toch mag ik zeggen dat uw huidige betrekking mij destijds niet minder aangenaam zou zijn geweest dan de werkkring die ik had, waarbij tenslotte ook steeds de zorg blijft of men te gelegener tijd weer iets vindt.

Ik moet nu op reis; daarom kan ik mijn oordeel slechts in deze paar regels samenvatten.

Met hart. groet, dr. Rudolf Steiner

Bron: Rudolf Steiner – GA 39 – BRIEFE BAND II 1890-1925 – nummer 631 (bladzijde 465-466)

Overgenomen uit Rudolf Steiner – Brieven (bladzijde 313) – Vertaald door Hylcke Brandts Buys en Leonard Beuger

Eerder geplaatst op 17 augustus 2011

Een mooi pensioentje

Ik heb in mijn leven heel veel brieven gekregen van kerke­lijke mensen die zeggen dat de antroposofie, of hoe zij het dan ook noemen, in wezen een goede zaak is, maar dat ze in te­genspraak is met de eenvoudige Christelijke leer, die zegt dat Christus de zielen verlost heeft, dat men in Christus zalig kan worden zonder dat de ziel daar iets voor hoeft te doen. Het ‘eenvoudige geloof van het zalig worden in Christus’, dat kun­nen de mensen niet loslaten. Wanneer de mensen zoiets zeg­gen of schrijven, menen ze heel erg vroom te zijn. Maar ze zijn egoïstisch, puur egoïstisch, ze willen hun ziel passief houden en dan het Goddelijke ervoor laten zorgen dat de ziel met een mooi pensioentje door de poort van de dood gedragen wordt. Zo gemakkelijk is het in de wereldbeschouwing waar het religieuze leven van de toekomst uit voort moet komen niet. Daar zal men moeten inzien dat men het Goddelijke in de ziel zelf verwerven moet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 296 – Die Erziehungsfrage als soziale Frage – Dornach, 17 augustus 1919 (bladzijde 113)

Overgenomen uit het boek Opvoeden en onderwijzen als sociale opgave (bladzijde 126). Vertaling John Hogervorst en Hanneke Nelemans.