Blind na de dood – 1 (van 2)

Als u hier tussen geboorte en dood geen weten over de bovenzinnelijke wereld ontwikkelt, dan betekent dat voor het bestaan in de bovenzinnelijke wereld tussen dood en nieuwe geboorte een blind zijn, zoals het ontbreken van ogen in het lichamelijke organisme een blind zijn betekent. Wanneer men hier op aarde geen weten van de bovenzinnelijke wereld ontwikkelt, dan treedt men een wereld binnen waarin men niets ziet, maar waarin men zich slechts voorttasten kan.

Dat is de ontzaglijke smart, die, ik zou willen zeggen, als de tegenhanger van de materialistische tijd verschijnt voor degene die tegenwoordig in de wetenschap van de inwijding ziet. Hij ziet hoe op aarde de mensen in het materialisme vervallen. Hij weet echter ook wat dit vervallen in het materialisme voor het geestelijke bestaan betekent, hij weet dat het een ogen uitsteken is, dat het betekent dat de mensen in het bestaan dat hun na de dood wacht, alleen maar tasten kunnen. In vroegere tijden van de mensheidsontwikkeling, toen er een instinctief weten van de bovenzinnelijke wereld was, traden de mensen door de poort van de dood waarbij ze zien konden. Dit oude instinctieve weten is uitgedoofd. Tegenwoordig moet geestelijk weten bewust verworven worden, let wel: geestelijk weten, niet helderziendheid! Ik heb altijd benadrukt: Helderziendheid kan ook verworven worden, maar dat is het niet waar het op aankomt, maar op het begrijpen van wat door het helderziende onderzoek tot stand komt, door het gewone gezonde mensenverstand, want het kan daardoor begrepen worden.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 15 december 1922 (bladzijde 70-71)

Eerder geplaatst op 4 november 2013

Waarachtigheid en bovenzinnelijke wereld

Wie zich niet aangewend heeft in de fysiek-zintuiglijke wereld bij de feiten te blijven en op feiten te steunen, die went zich ook, als hij over het bovenzintuiglijke spreekt, geen waarachtigheid aan. Want in de geestelijke wereld kan men zich de waarheidsliefde niet meer aanwennen, die moet men meebrengen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 220 – Lebendiges Naturerkennen, Intellektueller Sündenfall und spirituelle Sündenerhebung – Dornach, 21 januari 1923 (bladzijde 148)

Eerder geplaatst op 6 augustus 2013

Materialisme en kerken

Het is waarachtig niet bijzonder moeilijk in te zien, dat wat de mensen al sinds eeuwen aanzien voor een zekere religiositeit, meer een uiterlijke zaak is, dat het niet een werkelijk georiënteerd zijn op de bovenzinnelijke wereld is. De mensen hebben tot op de dag van vandaag met een zekere onbekommerdheid om de bovenzinnelijke wereld geleefd. En de ommekeer der tijden vraagt nu van de mensheid een zich weer oriënteren op de bovenzinnelijke werelden. De mensen moeten leren weer het oog te richten op de spirituele werelden, maar op een andere manier als men zich dat tegenwoordig vaak voorstelt. De mensen willen bij het gebruikelijke comfortabele geloof blijven, dat niet veel innerlijke inspanningen vergt. Degenen die bij dit gemakkelijke geloof zijn gebleven, zijn de grootste vijanden van de ware huidige vooruitgang. De kerken, die zich verzetten tegen de nieuwe wegen tot bovenzinnelijkheid, die zijn in waarheid vandaag de dag de aanleiding dat steeds materialistischer en materialistischer impulsen in de mensheid komen. Noodzakelijk is het in de huidige tijd op zeer concrete wijze de blik te richten op de bovenzintuiglijke werelden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 190 –Vergangenheits- und Zukunftsimpulse im sozialen Geschehen – Dornach, 23 maart 1919 (bladzijde 47-48)

Eerder geplaatst op 23 juli 2013

Als iemand beweert, dat het waar is, dan is hij een idioot of een hansworst

Er is niet veel geneigdheid bij onze tijdgenoten aanwezig om zich in te laten met het inleven in deze hogere werelden. Weinig zin heeft onze tijd in de beschouwing van de bovenzinnelijke wereld, en daardoor is ons tijdperk gewoon te goedgelovig tegenover degenen die de zin opstellen: Wat ik niet kan waarnemen, is niet waar, en als iemand beweert, dat het waar is, dan is hij een idioot of een hansworst.

Al te velen worden in deze tijd gelovigen van een dergelijke mening. Hoewel we ook duidelijk zien wat voor grote en geweldige vooruitgang onze tijd met betrekking tot de fysieke wetenschap maakt, zo zien we toch anderzijds hoe weinig geneigd de overgrote meerderheid van onze tijdgenoten is in de bovenzinnelijke wereld door te dringen. Men meent, het zich bezighouden met de geestelijke wereld maakt de mensen zwak en vreemd tegenover het zintuiglijke leven. Dat is een vooroordeel. Als iemand een stuk ijzer voor zich heeft en zegt: In dit ijzer is magnetische kracht; strijk het langs een ander stuk ijzer en je hebt een magneet – dan kan een ander komen en zeggen: Ach wat, dat stuk ijzer is goed voor spijkers inslaan. – Dat zijn de ware fantasten, die het zintuiglijke, het praktische slechts zo nemen als degenen die de magneet alleen voor spijkers slaan nemen. De realisten, de monisten, de uitilitaristen enz. zijn de echte fantasten. Ze kennen alleen de krachten van de fysieke wereld en triomferen als door de ontplooiing van de krachten van de fysieke wereld de enorme vooruitgang wordt geboekt.

Niets, maar dan ook helemaal niets heeft de geesteswetenschap tegen te werpen tegen deze fysieke wereld. Maar ze weet ook dat het hoog tijd is, dat de mensen weer leren, dat in het fysieke het spirituele verborgen is, en dat de mensen juist dan dromers worden, als ze hun geestelijke ogen sluiten voor de bovenzintuiglijke wereld. Waarachtige realisten, werkelijkheidsapostelen zijn tegenwoordig degenen die op de spirituele krachten wijzen! Wat willen deze echte realisten? Ze willen dat de werkelijke krachten, die achter de zintuiglijke sluimeren, ingevoerd worden in deze wereld, dat ze in onze gehele ontwikkeling gaan leven, dat we niet alleen de telegraaf, de telefoon en de spoorwegen, dus de gangbare krachten invoeren, maar ook de geestelijke krachten.

Bron: Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn 14 mei 1908 (bladzijde 337-338)

Eerder geplaatst op 8 juli 2013

Het is de inspanning die telt (1 van 2)

Mensen komen er heel gemakkelijk toe om te zeggen: Als ik mij over de bovenzinnelijke werelden laat vertellen, hoe kan ik dan weten dat al deze ideeën werkelijk juist zijn? Want laten we eens aannemen, iemand verspreidt ideeën over de bovenzinnelijke wereld, deze ideeën zouden door een aantal mensen aangenomen worden – en ze zouden onjuist of eenzijdig zijn, of ze zouden niet in dezelfde zin overeenkomen met het juiste, zoals men van juist spreekt, als het de uiterlijke fysieke wereld betreft. Veronderstel dus, deze ideeën zouden foutief zijn, en een aantal mensen zou ze hebben aanvaard. In een dergelijk geval zou het altijd nog beter zijn, dat de mensen deze onjuiste ideeën zouden hebben aanvaard, dan dat ze helemaal geen voorstellingen over de bovenzinnelijke wereld zouden hebben opgenomen. En waarom? Het is beter om de reden, dat onze ziel zich moet inspannen als ze voorstellingen over de bovenzinnelijke wereld opneemt. Of men juist of onjuiste voorstellingen opneemt, men moet zich inspannen, en deze inspanning telt in de geestelijke wereld, als wij door de poort van de dood gaan. Deze inspanning is het die ons na de dood ten goede komt, of die ons überhaupt ten goede komt als wij de geestelijke wereld binnengaan. Want aangenomen dat we ons met een heel verkeerde beschouwing over de geestelijke wereld zouden hebben doordrongen, dan hebben we toch doordat we het in ons opgenomen hebben, onze zielenkrachten ontplooid, zoals een turner zijn spieren traint. En wat we ontwikkeld hebben, dat hebben we dan, dat dragen wij de geestelijke wereld in. Doordat we dat binnendragen in de geestelijke wereld, hebben we daar iets soortgelijks, wat we hier hebben doordat we ogen hebben. We zijn dan niet meer blind in de geestelijke wereld.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 157 – Menschenschicksale und Völkerschicksale – Berlijn, 26 januari 1915 (bladzijde 124)

Eerder geplaatst op 20 februari 2013