Hoe dieren ons zien

Als dieren konden spreken, zouden ze alleen over zichtbare rijken spreken; het mineralen-, planten- en dierenrijk; ze zouden zichzelf als het hoogste zichtbare rijk beschouwen. Dat dieren de mens zien zoals de mensen de andere mensen zien, is slechts een vooroordeel. Voor dieren zijn wij mensen werkelijk van een bovenzinnelijk, schimachtig (gespensterhaften) bestaan;

en als de dieren alleen maar zulke waarnemingen hadden als wij ze hebben, zouden ze de mensen niet zien, maar ze zouden voor hen net zo onzichtbaar zijn als het rijk van engelen voor mensen. Alleen omdat ze een bepaald soort droomachtige helderziendheid hebben, zien de dieren de mens als een geest, als een bovennatuurlijk wezen. Van het beeld dat een dier van mensen heeft, kan de mens zich niet onmiddellijk een voorstelling maken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 159 – Das  Geheimnis  des  Todes – Praag, 13 mei 1915 (blz. 204-205)

Gezellige-dieren-groep-1

Weten en gevoel voor het leven tussen dood en nieuwe geboorte

Het is werkelijk even noodzakelijk dat de mens een weten, een gewaarwording en een gevoel heeft voor het leven tussen dood en nieuwe geboorte als voor het aardse leven zelf, omdat, wanneer hij dit aardse leven intreedt, gezondheid, vertrouwen, kracht en hoop in dit leven afhangen van welke krachten hij meebrengt uit het leven tussen de laatste dood en de huidige geboorte.

Welke krachten wij daar echter verkrijgen kunnen, dat hangt er weer vanaf hoe we ons in de vroegere incarnatie gedragen hebben; wat voor een morele instelling, wat voor een religieuze gezindheid of wat voor een algemene menselijke zielenhouding we ons eigengemaakt hebben. Zo kunnen we ons indenken, dat we met het bovenzinnelijke, waarin we leven tussen dood en nieuwe geboorte, scheppend meewerken hetzij aan de voortgaande ontwikkeling van de gehele mensheid dan wel aan de verwoesting van de mensheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 141 – Das Leben zwischen dem Tode und der neuen Geburt im Verhältnis zu den kosmischen Tatsachen – Berlijn, 20 november 1912 (bladzijde 53)

De mensen hebben tot op heden met een zekere onbekommerdheid om de bovenzinnelijke wereld geleefd

We hebben gebeurtenissen achter ons, catastrofale gebeurtenissen, waarvan de mensheid zich steeds meer en meer bewust geworden is, dat ze in deze intensiteit er niet eerder waren sinds men geschiedenis schrijft. Het afgelopen tijdperk was er een, waarin de mensen hier op aarde zich zo weinig mogelijk om de bovenzinnelijke wereld bekommerden. U moet, als u een dergelijke zaak serieus wilt nemen, alleen niet verwarren met wat men uiterlijke kerken- en lippendienst zou kunnen noemen met een werkelijk georiënteerd zijn op de bovenzinnelijke wereld. Het is werkelijk niet bijzonder moeilijk in te zien, dat wat de mensen al sinds eeuwen voor een bepaalde religiositeit aanzien, meer een uiterlijke zaak is, dat het niet een werkelijk georiënteerd zijn op de bovenzinnelijke wereld is. De mensen hebben tot op heden met een zekere onbekommerdheid om de bovenzinnelijke wereld geleefd. En de ommekeer der tijden eist tegenwoordig van de mensheid een zich weer oriënteren op de spirituele werelden. De mensen moeten leren de blik weer op deze bovenzinnelijke werelden te richten, maar op een andere manier als men zich dat vandaag de dag vaak voorstelt. De mensen willen graag bij het gangbare, gemakzuchtige geloof blijven, dat niet veel innerlijke inspanning kost. Degenen die bij dit gemakkelijke geloof zijn gebleven, zijn de grootste vijanden van de ware huidige vooruitgang. De kerken die zich verzetten tegen de nieuwe wegen naar bovenzinnelijkheid, die zijn in waarheid de aanleiding dat steeds materialistischere en materialistischere impulsen in de mensheid komen. Het is vandaag de dag noodzakelijk om in zeer concrete wijze te leren zien in de bovenzinnelijke werelden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 190 – Vergangenheits- und Zukunftsimpulse im sozialen Geschehen – Dornach, 23 maart 1919 (bladzijde 47-48)

Exact denken

Dat men de beelden van de bovenzinnelijke wereld op de juiste wijze beoordelen kan, dat men weet, hoe men deze beelden op de geestelijke realiteit moet betrekken, dat moet men bereiken doordat men het exacte denken, dat men zich heeft verworven als moderne mens, nu op de beeldenwereld toepast, dat men werkelijk in deze beeldenwereld denkt, zoals men denken geleerd heeft in de gewone fysiek-zintuiglijke wereld. Ieder gedachtenloze aanschouwing is voor de moderne initiatie schadelijk. Alles wat men aan gezond denken als moderne mens heeft ontwikkeld, moet in de hogere kennis worden binnengedragen. Zoals men zich in de gewone fysiek-zintuiglijke wereld oriënteren kan, als men ordelijk denken kan, zo kan men zich alleen dan pas juist in de wereld van de geest, die men door de moderne initiatie binnengaat, oriënteren, als men alles wat men door imaginatieve, geïnspireerde, intuïtieve kennis verkrijgt, op de juiste wijze kan doordringen met het denken, dat men zich hier in de zintuiglijke wereld heeft eigengemaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 210 – Alte und neue Einweihungsmethoden – Dornach 12 februari 1922 (bladzijde 86)