Er zijn mensen die zeggen: Waarom moet ik dat allemaal weten?

Steeds meer kan de mens hier op aarde leren hoe zijn leven zal zijn als hij door de poort van de dood is gegaan. Er zijn mensen die zeggen: Waarom moet ik dat allemaal weten? Ik zie het wel na de dood! –

Ja, dat is ongeveer alsof de mens de waarde van zijn gezichtsvermogen in twijfel trok. Want de mens gaat in de loop van de aardse ontwikkeling steeds meer een leven binnen waarin hij de ervaring van wat ik heb beschreven voor de tijd na de dood moet verwerven door het eerst hier op aarde in gedachten op te nemen.

De kennis van de geestelijke werelden op aarde buitensluiten, betekent zichzelf in geest en ziel blind maken voor zijn leven na de dood. En men komt eenvoudig als een kreupele in de geestelijke wereld wanneer men door de poort van de dood gaat, als men het hier op deze wereld afwijst om iets te weten van de geestelijke wereld. Dit is iets dat de mensheid steeds duidelijker en duidelijker zou moeten worden en waaruit zij de noodzaak van kennis van de spirituele wereld zou moeten inzien. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das  Verhältnis  der  Sternenwelt zum  Menschen und  des  Menschen  zur  Sternenwelt – Dornach, 1 december 1922 (bladzijde 42-43)

rudolf-steiner-portrait-moscow-russia-february-watercolor-vector-ink-contours-austrian-philosopher-social-reformer-architect-175801882-1

Helen Keller

Ik heb de laatste keer al gewezen op het interessante boek met de biografie van de blinde en doofstomme Amerikaanse Helen Keller. We zien hier een geestelijk leven dat totaal anders is. Stel u eens voor hoe de wereld eruit zou zien als u geen oren en geen ogen zou hebben. Zo was het gesteld met Helen Keller. Zij heeft echter een universitaire opleiding doorlopen en bezit een vorming als iemand die de universiteit achter de rug heeft. We zien hier hoe deze Helen Keller zich een rijkdom heeft gecreëerd in de fysieke wereld, die in wezen een heel andere schakering heeft, van een totaal andere aard is dan wat de fysieke mens anders bezit.

Zij zelf zegt: “Mensen die menen dat alle zintuiglijke indrukken ons via het oog en het oor bereiken, waren verbaasd dat ik een verschil merk tussen de straten van de stad en de wegen op het land. Ze vergeten daarbij dat mijn hele lichaam reageert op de omgeving. Het lawaai van de stad prikkelt sterk al mijn zenuwen. Het dissonante, turbulente met zijn schrille indrukken, het simpele gekletter van de machines is des te kwellender voor de zenuwen doordat mijn aandacht niet wordt afgeleid door steeds wisselende beelden, zoals bij andere mensen het geval is.”

Voor deze bijzonder georganiseerde natuur is de wereld om haar heen al compleet anders. En nog heel anders is het nu wanneer op het moment van overlijden – de ziener kan dit beschrijven omdat hij door zijn bovenzintuiglijke verzinking in zekere zin in staat is door de poort van de dood te gaan – het fysieke oog niet langer de bemiddelaar is, wanneer niet meer de uiterlijke  indrukken ons via het fysieke oor bereiken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 53 – Ursprung  und  Ziel  des  Menschen / Grundbegriffe der  Geisteswissenschaft – Berlijn, 17 november 1904 (bladzijde 155-156)

topic-helen-keller-gettyimages-514865868

Helen Keller (27 juni 1880 – 1 juni 1968)

Blind na de dood – 2 (slot)

Wie beweert dat de gewone kennis door het gezonde mensenverstand hem niet het oog geeft voor het bovenzinnelijke bestaan, dat hij daarvoor helderziendheid nodig heeft – helderziendheid heeft men nodig om de dingen te onderzoeken, maar men heeft het niet nodig om zich het vermogen tot het zien in de bovenzinnelijke wereld na de dood te verwerven -, wie dat beweert, die kan dan net zo goed ook beweren dat men niet zou kunnen denken als de ogen niet denken. Net zomin als de ogen hier in het fysieke leven hoeven te denken, net zomin behoeft de kennis van de bovenzinnelijke werelden, voor wat ik nu aangegeven heb, de helderziendheid te hebben. 

Er zou natuurlijk op aarde geen bovenzinnelijke kennis zijn, als er niet helderziendheid zou zijn, maar zelfs de helderziende moet in gewone begrippen omzetten, wat hij in het bovenzinnelijke schouwt. Al zou een mens hier op aarde nog zo helderziend zijn, al zou hij nog zo duidelijk in de geestelijke wereld kunnen zien – als hij te gemakzuchtig zou zijn om wat hij ziet in de geestelijke wereld in ordelijke, logisch bevattelijke begrippen om te zetten, dan zou hij toch na de dood in de geestelijke wereld verblind zijn. 

Dat is de grote smart voor wie in de initiatiewetenschap van de huidige tijd ziet, dat hij moet zeggen: Het materialisme maakt de mensen blind, als ze door de poort van de dood gaan. – En hier hebben we weer iets waaraan men ziet dat het voor de realiteit, voor het gehele bestaan van belang is, of de mens tegenwoordig geneigd is naar bovenzinnelijke kennis of niet. De tijd waarop hij dat zou moeten doen is nu gekomen. Het ligt in de vooruitgang van de mensheid om in deze tijd naar bovenzinnelijk weten op te stijgen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 15 december 1922 (bladzijde 71-72)

Eerder geplaatst op 2 juli 2015  (16 reacties)

Blind na de dood – 1 (van 2)

Als u hier tussen geboorte en dood geen weten over de bovenzinnelijke wereld ontwikkelt, dan betekent dat voor het bestaan in de bovenzinnelijke wereld tussen dood en nieuwe geboorte een blind zijn, zoals het ontbreken van ogen in het lichamelijke organisme een blind zijn betekent. Wanneer men hier op aarde geen weten van de bovenzinnelijke wereld ontwikkelt, dan treedt men een wereld binnen waarin men niets ziet, maar waarin men zich slechts voorttasten kan.

Dat is de ontzaglijke smart, die, ik zou willen zeggen, als de tegenhanger van de materialistische tijd verschijnt voor degene die tegenwoordig op de juiste wijze in de geestelijke wereld helderziend kan waarnemen. Hij ziet hoe op aarde de mensen in het materialisme vervallen. Hij weet echter ook wat dit vervallen in het materialisme voor het geestelijke bestaan betekent, hij weet dat het een ogen uitsteken is, dat het betekent dat de mensen in het bestaan dat hun na de dood wacht, alleen maar tasten kunnen.

In vroegere tijden van de mensheidsontwikkeling, toen er een instinctief weten van de bovenzinnelijke wereld was, traden de mensen door de poort van de dood waarbij ze zien konden. Dit oude instinctieve weten is uitgedoofd. Tegenwoordig moet geestelijk weten bewust verworven worden, let wel: geestelijk weten, niet helderziendheid! Ik heb altijd benadrukt: Helderziendheid kan ook verworven worden, maar dat is het niet waar het op aankomt, maar op het begrijpen van wat door het helderziende onderzoek tot stand komt, door het gewone gezonde mensenverstand, want het kan daardoor begrepen worden.

 Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 15 december 1922 (bladzijde 70-71)

Eerder geplaatst op 1 juli 2015 

Het is de inspanning die telt (1 van 2)

Mensen komen er heel gemakkelijk toe om te zeggen: Als ik mij over de bovenzinnelijke werelden laat vertellen, hoe kan ik dan weten dat al deze ideeën werkelijk juist zijn? Want laten we eens aannemen, iemand verspreidt ideeën over de bovenzinnelijke wereld, deze ideeën zouden door een aantal mensen aangenomen worden – en ze zouden onjuist of eenzijdig zijn, of ze zouden niet in dezelfde zin overeenkomen met het juiste, zoals men van juist spreekt, als het de uiterlijke fysieke wereld betreft. 

Veronderstel dus, deze ideeën zouden foutief zijn, en een aantal mensen zou ze hebben aanvaard. In een dergelijk geval zou het altijd nog beter zijn dat de mensen deze onjuiste ideeën zouden hebben aanvaard dan dat ze helemaal geen voorstellingen over de bovenzinnelijke wereld zouden hebben opgenomen. En waarom? Het is beter om de reden dat onze ziel zich moet inspannen als ze voorstellingen over de bovenzinnelijke wereld opneemt. Of men juiste of onjuiste voorstellingen opneemt, men moet zich inspannen, en deze inspanning telt in de geestelijke wereld, als wij door de poort van de dood gaan. Deze inspanning is het die ons na de dood ten goede komt, of die ons überhaupt ten goede komt als wij de geestelijke wereld binnengaan. 

Want aangenomen dat we ons met een heel verkeerde beschouwing over de geestelijke wereld zouden hebben doordrongen, dan hebben we toch doordat we het in ons opgenomen hebben, onze zielenkrachten ontplooid, zoals een turner zijn spieren traint. En wat we ontwikkeld hebben, dat hebben we dan, dat dragen wij de geestelijke wereld in. Doordat we dat binnendragen in de geestelijke wereld, hebben we daar iets soortgelijks, wat we hier hebben doordat we ogen hebben. We zijn dan niet meer blind in de geestelijke wereld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 157 – Menschenschicksale und Völkerschicksale – Berlijn, 26 januari 1915 (bladzijde 124)

Wordt vervolgd

Eerder geplaatst op 2 februari 2015