Over spirituele wetenschap, bijgeloof en occultisme

Vaak wordt er gedacht dat vanuit allerlei invallen, uit subjectieve verstandelijke overwegingen of zelfs uit fantasieën wordt verteld wat de antroposofie over de werkelijkheid van de hogere werelden naar voren brengt. Het is niet zo. Klinisch onderzoek, astronomisch onderzoek moet men tot in detail leren. Het is moeilijk. Maar wat op deze wijze innerlijk, ik zou willen zeggen, innerlijk experimenterend veroverd wordt om tot de waarneming van hogere werelden te komen, dat is nog moeilijker. Het vereist nog meer toewijding, meer zorgvuldigheid, meer innerlijke gewetensvolheid en methodiek.

En wat hier in ernstige en eerlijke zin als geesteswetenschap wordt beschreven, is heel verschillend van wat doorgaans als occultisme, als mystiek en dergelijke optreedt. Zoals de wetenschap zich verhoudt tot bijgeloof, zo verhoudt deze spirituele wetenschap zich tot het populaire occultisme, dat door allerlei mediums of door het amateuristisch vergaren van uiterlijke, verrassende feiten tot zijn inzichten wil komen. Deze bijzondere vorm van modern bijgeloof wordt door niets zekerder overwonnen dan door ernstig en eerlijk geestelijk onderzoek, dat door uiterst nauwgezette methoden wordt ontwikkelt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 79 – Die Wirklichkeit der höheren Welten – Kristiania (Oslo), 25 november 1921 (bladzijde 31-32)

Eerder geplaatst op 5 maart 2017

Bijgeloof

Bijgeloof is niet: achter de dingen de geest te zoeken, maar hem blindelings in de dingen zelf te verleggen. De bijgelovige lijkt niet op degene die voor een uurwerk de uitvinder zoekt, maar op degene die in het uurwerk zelf een geest vermoedt, die de wijzers vooruit beweegt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 34 – LUCIFER- GNOSIS 1903-1908 – GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE (bladzijde 55)

Alleen het juiste denken is vruchtbaar (2 – slot) – De nood is bewerkt door het onjuiste denken van de mensen

Het is van belang om niet van de verkeerde veronderstelling uit te gaan dat onbekende machten de nood hebben laten ontstaan en dat nu eerst die nood opgeheven moet worden voordat men ertoe over kan gaan om op de juiste manier te denken – dít moet helder ingezien worden: de nood is bewerkt door het onjuiste denken van de mensen en dus kan ook alleen het juiste denken de nood opheffen.

Men moet van heel verschillende kanten dit bijgeloof – dat men de mensheid eerst van brood moet voorzien en dat de mens dan, wanneer hij genoeg brood heeft, ook tot een beter denken komt – bekijken. Want dit is een vreselijk bijgeloof. In de moderne beschaving zal nooit iets vruchtbaars kunnen gebeuren wanneer men er niet toe komt om dit bijgeloof af te leggen en te vervangen door het juiste geloof, dat erin bestaat dat er een omwenteling, een vernieuwing van het denken over de dingen van deze wereld moet plaatsvinden. En dit moet ook geleidelijk bij voldoende mensen in het bewustzijn komen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 338 – Wie wirkt man für den Impuls der Dreigliederung des  sozialen Organismus? – Stuttgart, 12 februari 1921 (bladzijde 21-22)

Deze vertaling is van John Hogervorst, overgenomen uit zijn Driegonaal Nieuwsbrief Juli 2017

Wetenschappelijk bijgeloof

Zoals u weet, worden er verschillende talen in verschillende gebieden, verschillende landen op aarde gesproken; maar toch hebben de talen een mysterieuze overeenkomst. De gelijkenis hoeft niet zo opvallend te zijn als bijvoorbeeld in Duitsland en in Engeland, in Duitsland en in Nederland. Maar toch is het wel zo dat de talen, hoewel ze verschillend zijn, een zekere overeenkomst hebben. Men kan zien dat bijvoorbeeld de taal die in Indië gesproken wordt, hoewel men het ook niet zonder meer verstaat als men erop ingaat, dat de afzonderlijke woordbeelden toch gelijkenis hebben met bijvoorbeeld de Duitse taal.

Nu, wat zeggen de mensen die tegenwoordig zoiets verklaren willen? Ze zeggen: Nu ja, zo’n taal is op een plek op aarde ontstaan – omdat alles uitsluitend van de aarde afkomstig zou moeten zijn -, dan zijn de volken gemigreerd, hebben de taal ergens anders overgedragen, daar is het wat veranderd. Maar het stamt allemaal van een taal af.

Dit is het grootste wetenschappelijke bijgeloof dat in de moderne tijd is opgekomen. Want ziet u, mijne heren, dit wetenschappelijke bijgeloof is hetzelfde als het volgende zou zijn. Stel, een mens leeft in Indië; hij wordt, als de zon schijnt, warm. Nu, dan heeft men de gedachte: De mens kan warm worden. – Nu ontdekken later de mensen in Europa, dat ze ook in de zomer warm worden. Ze worden ook warm. Nu roepen ze niet hun verstand te hulp, maar de zintuigen. Ze zeggen: dat men warm wordt, dat kan men uit het heden niet verklaren: maar in het oude Indië, daar zijn de mensen warm geworden; die zijn verhuisd naar Europa en hebben de eigenschap om warm te worden, naar Europa overgeplant. – Ja, mijne heren, als iemand dat zegt, dan is hij natuurlijk niet goed snik. Maar de filologen zeggen hetzelfde! Die zeggen niet: als een taal in Europa gelijkenis heeft met een taal in Indië, dan heeft in Indië dezelfde invloed van buiten de aarde gewerkt als in Europa, maar ze zeggen: De taal is daarheen verhuisd! Als in twee gebieden een mens warm wordt, dan zal men niet zeggen, die heeft de eigenschap warm te worden hierheen gebracht door migratie, maar men kijkt naar de gemeenschappelijke zon, en die verwarmt zowel degenen in Indië als degenen in Europa. Als men twee talen vindt die gelijkenis vertonen, hoewel de plaatsen ver van elkaar afgelegen zijn, dan komt dat niet doordat de taal overgeplaatst is, maar dat de gemeenschappelijke invloed – precies zoals de invloed van de zon voor de gehele aarde er is – van het buitenaardse op de volken van de meest verschillende gebieden op aarde werkt. Maar omdat de mensen ten enenmale niet toegeven willen, dat een buitenaardse, geestelijke invloed plaatsvindt, daarom bedenken ze van alles, waarbij men alleen niet merkt, dat ze dwaas zijn, omdat ze zo geleerd zijn.

Bron: Rudolf Steiner – GA 353 – Die Geschichte der Menschheit und die Weltanschauungen der Kulturvölker – Dornach, 5 maart 1924 (bladzijde 49-50)

Eerder geplaatst op 20 augustus 2016 

Over spirituele wetenschap, bijgeloof en occultisme

Vaak wordt er gedacht dat vanuit allerlei invallen, uit subjectieve verstandelijke overwegingen of zelfs uit fantasieën wordt verteld wat de antroposofie over de werkelijkheid van de hogere werelden naar voren brengt. Het is niet zo. Klinisch onderzoek, astronomisch onderzoek moet men tot in detail leren. Het is moeilijk. Maar wat op deze wijze innerlijk, ik zou willen zeggen, innerlijk experimenterend veroverd wordt om tot de waarneming van hogere werelden te komen, dat is nog moeilijker. Het vereist nog meer toewijding, meer zorgvuldigheid, meer innerlijke gewetensvolheid en methodiek.

En wat hier in ernstige en eerlijke zin als geesteswetenschap wordt beschreven, is heel verschillend van wat doorgaans als occultisme, als mystiek en dergelijke optreedt. Zoals de wetenschap zich verhoudt tot bijgeloof, zo verhoudt deze spirituele wetenschap zich tot het populaire occultisme, dat door allerlei mediums of door het amateuristisch vergaren van uiterlijke, verrassende feiten tot zijn inzichten wil komen. Deze bijzondere vorm van modern bijgeloof wordt door niets zekerder overwonnen dan door ernstig en eerlijk geestelijk onderzoek, dat door uiterst nauwgezette methoden wordt ontwikkeld.

Bron: Rudolf Steiner – GA 79 – Die Wirklichkeit der höheren Welten – Kristiania (Oslo), 25 november 1921 (bladzijde 31-32)