Begrip voor de bezwaren van de tegenstanders

Er is voor een wereldbeschouwing niets gevaarlijker en niets wat voor het leven minder geschikte impulsen kan geven dan alles wat men met het woord fanatisme aanduidt. En hoezeer laat fanatisme zich niet alleen op de overige gebieden van het leven, maar juist op het gebied van de wereldbeschouwingen gelden – dat weet immers een eenieder.

Als antroposofie of geesteswetenschap in deze richting een impuls moet geven, dan is het in het bijzonder noodzakelijk dat ze leert als wereldbeschouwing totaal niet fanatiek te zijn, dat wil zeggen, in haar manier van leven alles binnen te dragen wat genoemd kan worden: volledig begrip voor haar tegenstanders en volledige tegemoetkoming aan de mogelijke bezwaren van de tegenstanders. Hoe gemakkelijk horen we het toch op de overige gebieden van het leven en de levensbeschouwingen dat men eenvoudig de tegenstander verwerpt als een onlogisch, misschien zelfs als een min of meer slecht mens.

Antroposofie of geesteswetenschap moet zich erop toeleggen de tegenstander en vooral zijn redenen geheel te begrijpen. Zij zelf heeft daartoe, zou men kunnen zeggen, alle reden. Want hoe zeer ze ook vele harten aanspreekt, hoe zeer ze aan menig verlangen in het leven kan voldoen, moet men aan de andere kant toch zeggen: De weg in de diepten, om de bewijskracht van haar beweringen en leringen te erkennen, is een zeer verre weg. De moeilijkheden welke zich voordoen voor degenen die vanuit het hedendaagse leven op eerlijke, gewetensvolle wijze de weg in de antroposofie wil vinden, zijn de groots denkbare.

Bron: Rudolf Steiner – GA 69a – Wahrheiten und Irrtümer der Geistesforschung – Praag, 19 maart 1911 (bladzijde 36-37)

Eerder geplaatst op 15 oktober 2016  (2 reacties)

Antroposofie en socialisme (2 van 11) – De antroposofie is alleen voor enkele dwepers die geen gevoel hebben voor de echte, allerbelangrijkste taken van het leven

En men kan wel zeggen dat dergelijke bezwaren tegen de antroposofie veel schijn van gerechtvaardigdheid hebben. Men zou de ogen moeten sluiten voor dingen die van alle kanten op ons afkomen, als men dat niet wilde toegeven. Het is ongetwijfeld waar dat de bitterste armoede van ontelbaar veel mensen het geheel onmogelijk maakt ook maar een ogenblik aan de hogere doelen van het leven te denken. Het kan zelfs een misdrijf, een zondigen tegen de mensheid lijken als de antroposoof  tot een gering aantal mensen, dat het geluk van een min of meer zorgeloos leven heeft, over de “bestemming der mensen”, over het “hoger leven der ziel” spreekt, terwijl de grote massa in materiële nood verkommert.

De antroposofie is alleen voor enkele dwepers die geen gevoel hebben voor de ware, allereerste taken van het leven; dat kan men niet alleen van kwaadwillende tegenstanders, maar ook van edele mensenvrienden met een helder verstand en een nobel hart horen, die het vóór alles noodzakelijk vinden hun krachten te wijden aan de verbetering van de materiële levensomstandigheden van hun medemensen. Voor hen is het “sociale vraagstuk” het allerbelangrijkste in deze tijd. En ze eisen van de antroposofen dat de leren van “algemene mensenliefde” en “broederlijkheid” vóór alles toegepast worden, waar honger en ellende, waar fysieke en morele verwaarlozing om hulp roepen.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 431-432)

Eerder geplaatst op 3 februari 2016

Begrip voor de bezwaren van de tegenstanders

Er is voor een wereldbeschouwing niets gevaarlijker en niets wat voor het leven minder geschikte impulsen kan geven dan alles wat men met het woord fanatisme aanduidt. En hoezeer laat fanatisme zich niet alleen op de overige gebieden van het leven, maar juist op het gebied van de wereldbeschouwingen gelden – dat weet immers een ieder.

Als antroposofie of geesteswetenschap in deze richting een impuls moet geven, dan is het in het bijzonder noodzakelijk dat ze leert als wereldbeschouwing totaal niet fanatiek te zijn, dat wil zeggen, in haar manier van leven alles binnen te dragen wat genoemd kan worden: volledig begrip voor haar tegenstanders en volledige tegemoetkoming aan de mogelijke bezwaren van de tegenstanders. Hoe gemakkelijk horen we het toch op de overige gebieden van het leven en de levensbeschouwingen, dat men eenvoudig de tegenstander verwerpt als een onlogisch, misschien zelfs als een min of meer slecht mens.

Antroposofie of geesteswetenschap moet zich erop toeleggen de tegenstander en vooral zijn redenen geheel te begrijpen. Zij zelf heeft daartoe, zou men kunnen zeggen, alle reden. Want hoe zeer ze ook vele harten aanspreekt, hoe zeer ze aan menig verlangen in het leven kan voldoen, moet men aan de andere kant toch zeggen: De weg in de diepten, om de bewijskracht van haar beweringen en leringen te erkennen, is een zeer verre weg. De moeilijkheden welke zich voordoen voor degenen die vanuit het hedendaagse leven op eerlijke, gewetensvolle wijze de weg in de antroposofie wil vinden, zijn de groots denkbare.

Bron: Rudolf Steiner – GA 69a – Wahrheiten und Irrtümer der Geistesforschung – Praag, 19 maart 1911 (bladzijde 36-37)

Eerder geplaatst op 18 januari 2015

Begrip voor de bezwaren van de tegenstanders

Er is voor een wereldbeschouwing niets gevaarlijker en niets wat voor het leven minder geschikte impulsen kan geven dan alles wat men met het woord fanatisme aanduidt. En hoezeer laat fanatisme zich niet alleen op de overige gebieden van het leven, maar juist op het gebied van de wereldbeschouwingen gelden – dat weet immers een ieder.

Als antroposofie of geesteswetenschap in deze richting een impuls moet geven, dan is het in het bijzonder noodzakelijk dat ze leert als wereldbeschouwing totaal onfanatiek te zijn, dat wil zeggen, in haar manier van leven alles binnen te dragen wat genoemd kan worden: volledig begrip voor haar tegenstanders en volledige tegemoetkoming aan de mogelijke bezwaren van de tegenstanders. Hoe gemakkelijk horen we het toch op de overige gebieden van het leven en de levensbeschouwingen, dat men eenvoudig de tegenstander verwerpt als een onlogisch, misschien zelfs als een min of meer slecht mens.

Antroposofie of geesteswetenschap moet zich er op toeleggen de tegenstander en vooral zijn redenen geheel te begrijpen. Zij zelf heeft daartoe, zou men kunnen zeggen, alle reden. Want hoe zeer ze ook vele harten aanspreekt, hoe zeer ze aan menig verlangen in het leven kan voldoen, moet men aan de andere kant toch zeggen: De weg in de diepten, om de bewijskracht van haar beweringen en leringen te erkennen, is een zeer verre weg. De moeilijkheden welke zich voordoen voor degenen die vanuit het hedendaagse leven zich op eerlijke, gewetensvolle wijze in de antroposofie wil vinden, zijn de groots denkbare.

Bron: Rudolf Steiner – GA 69a – Wahrheiten und Irrtümer der Geistesforschung – Praag, 19 maart 1911 (bladzijde 36-37)

Ongeschikt voor het leven

De mens zal van leven tot leven naar vervolmaking voortgaan, want de ziel is noch bij de geboorte ontstaan, noch zal zij dan ook bij de dood verdwijnen. Eén van de bezwaren die vaak tegen deze opvatting naar voren worden gebracht, is dat zij de mensen ongeschikt zou maken voor het leven. Laat mij daarop nog met enige woorden ingaan. Nee, niet ongeschikt voor het leven maakt de antroposofie, maar geschikter, juist omdat we weten wat het blijvende en wat het vergankelijke is. Natuurlijk, wie denkt dat het lichaam een kleed is dat de ziel alleen aantrekt en weer uittrekt, zoals het vaak gezegd wordt, die zal onbekwaam voor het leven worden. Maar dat is een verkeerd beeld, dat door geen geesteskenner gebruikt zou moeten worden. Niet een kleed, maar een werktuig is het lichaam voor de ziel. Een instrument waar de ziel zich van bedient om mee in de wereld te werken. En degene die het blijvende kent en in zich versterkt, zal het instrument beter gebruiken dan degene die slechts het voorbijgaande kent. Hij zal zich inspannen door onophoudelijke activiteit het eeuwige in zich te versterken. Deze activiteit zal hij overdragen in een ander leven, en hij zal steeds bekwamer worden. Door dit beeld zal het idee in het niets verdwijnen, dat de mens door de kennis ongeschikt voor het leven zou worden. We zijn in staat des te bekwamer en duurzamer te werken, als we erkennen dat we niet voor dit ene, korte leven, maar voor alle toekomstige tijden werken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 52 – Spirituelle Seelenlehre und Weltbetrachtung – Berlijn, 6 september 1903 (bladzijde 26)

Eerder geplaatst op 1 december 2012