Wilszwakte en berusting  

Er is niets in de zelfopvoeding wat onze wil sterker maken kan dan de berusting en de overgave ten opzichte van het lot, dat wat men noemt gelatenheid. Wie bij elke gelegenheid humeurig is en verontwaardigd over zijn lot, verzwakt zijn wil. Wie in wijze zelfopvoeding in zijn lot kan berusten, versterkt zijn wil. Mensen die bij elke gelegenheid het zo voelen alsof hun dit of dat geheel en al onverdiend treft, alsof ze het eenvoudig van zich afschudden moeten, zijn de zwakste wilsmensen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 61 – Menschengeschichte im Lichte der Geistesforschung – Berlijn, 14 maart 1912 (bladzijde 444)

Eerder geplaatst op 23 januari 2015

Van geen belang

Voor de wereld (Duits: Weltenzusammenhang) is het van geen belang of iets door ons of door een ander mens wordt gedaan. […] Hoe graag heeft ieder mens, dat hij capabel is, dat hij iets kan. Er is een zekere berusting nodig om net zo verheugd te zijn als een ander wat kan. Men zou niet moeten houden van een zaak, omdat men het zelf doet, maar omdat het in de wereld is, onverschillig of het door ons of door anderen gedaan wordt. Deze gedachte leidt ons zeker naar onbaatzuchtigheid, als we deze steeds opnieuw denken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 140 – Okkulte Untersuchungen über das Leben zwischen Tod und neuer Geburt – Wenen, 3 november 1912 (bladzijde 66)

Eerder geplaatst op 11 november 2015

Gelatenheid en berusting in ons lot

Welke eigenschappen moeten we in het bijzonder cultiveren als we op gunstige wijze op ons wilsleven inwerken willen? De allergunstigste invloed op ons wilsleven is een leven dat zich geheel en al richt op het perspectief van het karma, men zou ook kunnen zeggen, een leven dat er naar streeft als belangrijkste eigenschap te ontwikkelen: gelatenheid en berusting in ons lot. En hoe zou men zich eigenlijk beter deze overgave, deze zielenrust tegenover het lot eigen kunnen maken dan doordat men het karma tot een werkelijke levensinhoud maakt?

Wat betekent dat: karma tot een werkelijke levensinhoud maken? Dat betekent, niet alleen in theorie, maar als ons of anderen leed treft, als ons vreugde of de zwaarste slag van het lot treft, levendig en duidelijk inzien dat wij in bepaalde hogere zin zelf de aanleiding gegeven hebben voor de smartelijke noodlotslag.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Leipzig, 5 november 1911 (bladzijde 123)

Eerder geplaatst op 18 april 2012

Karma – Vreugde – Verdriet

Vreugde is in de meeste gevallen geen beloning voor vroegere daden. Als we langs occulte weg het karma onderzoeken, ontdekken we inderdaad dat we de vreugde die we ervaren niet hebben verdiend, en dat de vreugde iets is wat dankbaar moet aanvaard worden als een godsgeschenk, in het besef dat wat we vandaag aan vreugde ontmoeten ons tot werken moet aanvuren, zodat we de kracht die ons door vreugde toestroomt, in ons opnemen en productief gebruiken. We moeten vreugde zien als een soort voorschot op de toekomst.

Daarentegen hebben we verdriet meestal zelf verdiend, door onze eigen daden; de oorzaak ervan kunnen we altijd in onze tegenwoordige levensloop of in vroegere levens vinden. En dan moet het ons tot diep in onze ziel duidelijk zijn dat we ons in het concrete leven vaak niet volgens deze karmische levenshouding hebben gedragen. In het uiterlijke leven lukt het niet altijd om wat ons verdriet berokkent met berusting te aanvaarden. We zien het meestal niet direct in, dat de wet van het lot aan het werk is. En ook al kunnen we naar buiten toe geen berusting opbrengen, de hoofdzaak is dat we het innerlijk wel doen.

En al hebben we uiterlijk niet met gelatenheid ons karma gedragen, in het diepst van onze eigen ziel moeten we toch beseffen dat wijzelf in wezen de oorzaak van al deze dingen zijn. Laten we een voorbeeld nemen. Iemand slaat ons, iemand ranselt ons af met een stok. Dan is het de mens eigen om te vragen: wie heeft me geslagen? Geen mens zegt dan: ikzelf heb mij geslagen. Zelden zullen mensen het antwoord geven dat zij zichzelf straffen. En toch is het zo dat wij in vervlogen dagen de stok hebben opgeheven tegen een ander. Ja, u bent het zelf die de stok vasthoudt. Als we een hindernis uit de weg moeten ruimen dan is dat karma. Het is karma als een ander iets tegen ons heeft. Wijzelf zijn het die ons iets aandoen als vereffening voor wat wij in het verleden hebben gedaan. Zo komen we tot een juiste opvatting van ons leven, tot een verruiming van ons zelfbeeld, als we tot onszelf zeggen: alles wat mij overkomt, komt van mijzelf. Het is mijn eigen daad die van buiten op mij afkomt, ook al lijkt het of een ander het doet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Leipzig, 5 november 1911 (bladzijde 124-125)

Eerder geplaatst op 4 juni 2011

Wilszwakte en berusting

Er is niets in de zelfopvoeding wat onze wil sterker maken kan dan de berusting en de overgave ten opzichte van het lot, dat wat men noemt gelatenheid. Wie bij elke gelegenheid humeurig is en verontwaardigd over zijn lot, verzwakt zijn wil. Wie in wijze zelfopvoeding in zijn lot kan berusten, versterkt zijn wil. Mensen die bij elke gelegenheid het zo voelen alsof hun dit of dat geheel en al onverdiend treft, alsof ze het eenvoudig van zich afschudden moeten, zijn de zwakste wilsmensen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 61 – Menschengeschichte im Lichte der Geistesforschung – Berlijn 14 maart 1912 (bladzijde 444)

Zie ook: Gelatenheid en berusting in ons lot