Werktuig van hogere wezens

Er is gisteren al inleidend op gewezen dat we bepaalde oudere historische gebeurtenissen alleen dan juist begrijpen kunnen, als we niet alleen naar de krachten en bekwaamheden van de persoonlijkheden zelf kijken, maar dat we ervan uitgaan dat door de betreffende persoonlijkheden, als door middel van werktuigen, wezens werken die om zo te zeggen hun daden uit hogere werelden laten neerstromen in onze wereld.

We moeten ons voorstellen dat deze wezens hier in onze wereld niet rechtstreeks ingrijpen kunnen in onze fysieke gebeurtenissen, bij onze fysieke feiten, omdat ze wegens hun huidige ontwikkelingsstadium niet in een fysiek lichaam kunnen incarneren, dat zij elementen uit onze fysieke wereld nemen. Als zij daarom in onze fysiek-zintuiglijke wereld willen werken, dan moeten ze zich van de fysieke mens bedienen, zijn handen, maar ook zijn verstand, zijn begripscapaciteiten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 126 –  Okkulte Geschichte: Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge von Persönlichkeiten und Ereignissen der Weltgeschichte – Stuttgart, 28 december 1910 (bladzijde 25)

Eerder geplaatst op 19 oktober 2017  (22 reacties)

413KjE0UitL

Herinneringen verdwijnen, de vruchten blijven als vermogens en bekwaamheden

De indrukken, welke een mens uit ondervonden belevenissen verkrijgt, verdwijnen geleidelijk uit zijn geheugen, echter niet de vruchten ervan. Men behoudt geen herinnering aan alle ervaringen die men als kind heeft gehad bij het leren lezen en schrijven. Maar men zou in het geheel niet kunnen lezen en schrijven als men deze ervaringen niet zou hebben gehad en als haar resultaten niet behouden zouden zijn gebleven in de vorm v.an bekwaamheden. 

En dat is de omvorming welke de geest met de schatten van het geheugen bewerkstelligt. Hij laat alles wat kan leiden tot het vormen van beelden van op zichzelf staande gebeurtenissen aan zijn eigen lot over en put er slechts de kracht uit om zijn bekwaamheden te vergroten. Daarom is het zeker dat geen enkele belevenis onbenut voorbij gaat: de ziel behoudt de herinnering er aan en de geest en de geest onttrekt er datgene aan wat kan dienen om zijn capaciteiten te vergroten, zijn levensinhoud te verrijken. De menselijke geest groeit door het verwerken van hetgeen beleefd wordt.

Al kan men dus de ervaringen uit het verleden in de geest niet, gelijk in een schatkamer, terugvinden, men bespeurt hun uitwerking in de vermogens welke een mens zich heeft eigen gemaakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 9 – THEOSOPHIE – Einführung in  übersinnliche  Welterkenntnis und  Menschenbestimmung (blz. 30-31)

Uit de vijfde druk van THEOSOFIE (blz. 64-65). Vertaling H.G.J. de Leeuw

528x840

De herinnering verdwijnt, de vruchten blijven

De indrukken, welke een mens uit ondervonden belevenissen verkrijgt, verdwijnen geleidelijk uit zijn geheugen, echter niet de vruchten ervan. Men behoudt geen herinnering aan alle ervaringen die men als kind heeft gehad bij het leren lezen en schrijven. Maar men zou in het geheel niet kunnen lezen en schrijven indien men deze ervaringen niet zou hebben gehad en indien haar resultaten niet behouden zouden zijn gebleven in de vorm van bekwaamheden. En dat is de omvorming welke de geest met de schatten van het geheugen bewerkstelligt. Hij laat alles wat kan leiden tot het vormen van beelden van op zichzelf staande gebeurtenissen aan zijn eigen lot over en put er slechts de kracht uit om zijn bekwaamheden te vergroten. Daarom is het zeker dat geen enkele belevenis onbenut voorbijgaat: de ziel behoudt de herinnering er aan en de geest onttrekt er datgene aan, wat kan dienen om zijn capaciteiten te vergroten, zijn levensinhoud te verrijken. De menselijke geest groeit door het verwerken van wat beleefd wordt.

Bron: Rudolf Steiner – Theosofie – vertaling H.G.J. de Leeuw (bladzijde 64)

Duitstalig: GA 9 Theosophie (bladzijde 29-30)

Eerder geplaatst op 1 januari 2014

Werktuig van hogere wezens

Er is gisteren al inleidend op gewezen dat we bepaalde oudere historische gebeurtenissen alleen dan juist begrijpen kunnen, als we niet alleen naar de krachten en bekwaamheden van de persoonlijkheden zelf kijken, maar dat we ervan uitgaan dat door de betreffende persoonlijkheden, als door middel van werktuigen, wezens werken die om zo te zeggen hun daden uit hogere werelden laten neerstromen in onze wereld.

We moeten ons voorstellen dat deze wezens hier in onze wereld niet rechtstreeks ingrijpen kunnen in onze fysieke gebeurtenissen, bij onze fysieke feiten, omdat ze wegens hun huidige ontwikkelingsstadium niet in een fysiek lichaam kunnen incarneren, dat zij elementen uit onze fysieke wereld nemen. Als zij daarom in onze fysiek-zintuiglijke wereld willen werken, dan moeten ze zich van de fysieke mens bedienen, zijn handen, maar ook zijn verstand, zijn begripscapaciteiten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 126 –  Okkulte Geschichte: Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge von Persönlichkeiten und Ereignissen der Weltgeschichte – Stuttgart, 28 december 1910 (bladzijde 25)

Hier in de fysiek-zintuiglijke wereld is de vervolmakingplaats (2 van 3)

De mens moet steeds opnieuw door geboorte en dood gaan tot hij zijn volle mate van rijpheid heeft bereikt om dan zijn entree te verkrijgen in het geestelijke rijk zelf, zodat hij geen fysieke organen meer behoeft. Daarom moeten we inzien dat alles wat onze ogen en oren en de andere zintuigen hier verrichten, bekwaamheden zijn voor het hogere leven.

Zeker, we hebben er vaak over gesproken dat de mens de hogere zintuigen moet ontwikkelen, dat hij de chakra’s of hogere organen moet vormen, die hem in staat stellen in de geestelijke wereld te komen en te zien. Maar waardoor verkrijgt hij deze hogere vermogens? Door zijn werk hier op het aardse plan. Hier is de voorbereidingsplaats daartoe. Wat wij hier werken, dat bereidt ons de organen voor een hogere wereld voor.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 94 – Das Johannes-Evangelium – Berlijn, 5 maart 1906 (bladzijde 213)

Eerder geplaatst op 9 november 2011