In de astrale wereld verschijnt alles omgekeerd (2 – slot)

Veel mensen klagen tegenwoordig dat ze zichzelf omringd zien door kwaadaardige duistere gestalten die hen bedreigen en beangstigen en dergelijke. Dit is een fenomeen dat tegenwoordig veel mensen treft en waarvan de meesten helemaal niet weten wat dit is. In veel gevallen ligt het nu zo: Dit zijn de eigen impulsen, begeerten en hartstochten die in de mens leven, namelijk in wat we het astrale lichaam noemen.

Gewoonlijk  ziet de mens zijn eigen hartstochten niet, maar door bepaalde processen in de ziel en in de hersenen kan het voorkomen dat ze voor hem zichtbaar worden; alleen dan verschijnen ze hem als in spiegelbeeld. Zoals iemand die in de spiegel kijkt en de voorwerpen om zich heen ziet, ziet hij om zich heen de spiegelbeelden van zijn eigen driften enzovoort.

Alles wat van hem uitstroomt, ziet hij dan op zichzelf toestromen. Een ander fenomeen is dat tijd en gebeurtenissen omgekeerd gaan. Bijvoorbeeld, in de fysieke wereld zien we eerst de kip en dan het ei. In het astrale ziet men omgekeerd eerst het ei en dan de kip die het ei gelegd heeft. In het astrale beweegt de tijd zich terug; eerst ziet men de uitwerking en dan de oorzaak. Vandaar de profetische blik; niemand kan toekomstige gebeurtenissen vooruitzien zonder dit in teruggaande richting gaan van  gebeurtenissen in de tijd.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart, 23 augustus 1906 (bladzijde 21-22)

Advertenties

Sociale hervormingen mislukken als de mensen zichzelf niet hervormen

Wie in de geestelijke wereld waarneemt, ziet de samenhangen die aan het aardse leven ten grondslag liggen. Hij ziet de mensen, hoe ze samenleven: in diepste ellende de ene, arm en terneergedrukt door arbeid en ontberingen, de andere zwelgend in overvloed, van dit of dat genietend. Men kan zich gemakkelijk voorstellen hoe dat zou zijn te veranderen, als men enkel op het fysieke plan blijft. Dat doen de meesten, die zich tegenwoordig geroepen voelen tot sociaal hervormen. Zij bevinden zich niet in dezelfde toestand als een met succes geopereerde blindgeborene, die plotseling de wereld om hem heen in kleuren ziet, want anders zouden zij achter al het materieel zichtbare de talrijke, verschillende wezens zien. Als zij hun goedbedoelde hervormingsplannen proberen te verwezenlijken, maar daarbij de geestelijke wezens buiten beschouwing laten, dan zal het binnen vijftig jaar nog veel erger zijn dan het ooit tevoren is geweest. Alle hedendaagse sociale idealen zouden in groteske tegenspraak zijn met de zielenwereld, als niet deze zielen, dat wil zeggen de menselijke hartstochten, begeerten en wensen tegelijk een verandering ondergaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 96 – Ursprungsimpulse der Geisteswissenschaft – Berlijn, 1 oktober 1906 (bladzijde 83)

Eerder geplaatst op 11 september 2014

De zienersgave is niet altijd een begerenswaardige gave

Het eerste wat de mens leert kennen wanneer hij de astrale ruimte betreedt, dat wil zeggen: wat hij ziet als zijn geestesoog geopend wordt, is: hij voelt zich omhuld door zijn astraallichaam. Dit astrale lichaam is het waarin alle begeerten, hartstochten, gewaarwordingen enzovoort golven (wogen). Daar zien wij helder wat anders verborgen ligt in de menselijke natuur. Al het verborgene wordt zichtbaar, als wij de menselijke aura aanschouwen. Uit haar stroomt in golfachtige bewegingen met een zekere lichtkracht dat, wat ik het astrale genoemd heb, de gehele gevoelswereld van de mensen.

Ik zal enige bijzonderheden noemen die u zullen aantonen hoe veel, dat wij anders onbegrijpelijk vinden, dadelijk begrijpelijker wordt. Men kan vaak zien dat sommige mensen, als zij aan een afgrond staan, de onoverwinnelijke begeerte tonen zich naar beneden te storten, ondanks dat zij zich daartegen met alle kracht verzetten. Of men kan zien wat voor gedachten er door een menselijke ziel trekken als hij een mes in de hand heeft. Al deze dingen hebben hun diepe bodem, grondvesting (Begründung) in het menselijk astraallichaam. Ze berusten erop dat wij in het astrale een geheel ander wezen hebben als die ons in het menselijk uiterlijk tegemoettreedt. Zij zijn echter aan het lot, het karma onderworpen. Wie bepaalde begeerten heeft in het leven, die heeft in een vroeger leven ervaringen doorgemaakt, die door het tegenwoordige verstand diep naar de achtergrond gedrongen kunnen zijn. Zij sluimeren echter in het astraallichaam.

Neemt u eens aan, iemand heeft in een vroeger leven aan een gruwelijke oorlog deelgenomen; dan kunt u in zijn aura zien hoe door zijn karma al deze gruwelijkheden in zijn astraallichaam ingebouwd worden, waarmee hij nu harde strijd te voeren heeft. Zoals er zich draden spinnen tussen een vroeger leven en een huidig leven, zo worden er ook draden gesponnen van de tegenwoordige tijd naar een later leven. Dit alles ziet de ziener. Hij ziet hoe het karma van een mens zich vormt, en hij ziet ook hoe bijvoorbeeld een mens met zijn verstand een neiging probeert te onderdrukken of hoe hij gevoelens terugdringt. Tot op de bodem van de ziel ziet de ziener. Degenen die de zienersgave hebben, houden dat niet altijd voor een begerenswaardige gave, die in alle gevallen vreugde brengt, voornamelijk dan niet, als de mensen gevoelens hebben die ze beter niet zouden kunnen hebben. En voor de beginner, de geestesleerling, is het vaak noodlottig want gemakkelijk wordt hij aangetrokken door alles wat hij nu schouwt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 18 november 1903 (bladzijde 60,61)

Eerder geplaatst op 30 december 2015

Kamaloka

Kamaloka is een afgewenningstijd voor de mens, omdat hij zijn begeerten afleggen moet, om zich in de geestelijke wereld in te leven. Deze kamalokatijd duurt bij de mensen langere of kortere tijd, naar gelang hij met het afwennen van begeerten gereed is. Het komt hierbij erop aan, hoe de mens zich al in zijn leven aangewend heeft, zijn begeerten te regelen, en hoe hij geleerd heeft in het leven te genieten en af te zien (Duits: zu verzichten). Er zijn echter genietingen en begeerten van lagere en hogere aard. Genietingen en begeerten waarvan voor de bevrediging het fysieke lichaam het eigenlijke instrument niet is, noemen we hogere genietingen en begeerten, en deze behoren niet bij diegenen, die de mens zich na de dood af moet wennen. Slecht zo lang als een mens nog iets heeft, wat hem naar het lichamelijke bestaan trekt -lagere genietingen-, zo lang blijft hij in het astrale leven van de kamalokatijd. Wanneer hem dan niets meer trekt naar deze afgewenningstijd, dan is hij vaardig geworden om in de geestelijke wereld te leven. Het verblijf van de mensen in deze kamalokatijd duurt ongeveer even lang als een derde van de tijd van het afgelopen leven.

Het hangt er daarom vanaf hoe oud de mens was toen hij stierf, dus hoe lang hij op aarde geleefd heeft. Toch is deze kamalokatijd volstrekt niet alleen een gruwelijke en onaangename tijd. In ieder geval wordt de mens daardoor onafhankelijker van de lichamelijke begeerten en hoe meer hij zich reeds in zijn leven onafhankelijk gemaakt heeft en zich interesse in het beschouwen van geestelijke dingen eigengemaakt heeft, des te lichter zal deze kamalokatijd voor hem verlopen. Hij wordt daardoor vrijer, zodat de mens dankbaar wordt voor deze kamalokatijd. Het gevoel van ontbering in het aardse leven wordt tot zaligheid in de kamalokatijd. Er komen tegenovergestelde gevoelens tevoorschijn, want alles wat men in het leven geleerd heeft graag te ontberen, wordt in de kamalokatijd tot genot.

Bron: Rudolf Steiner – GA 108 –  Die Beantwortung von Welt- und Lebensfragen durch Anthroposophie – Breslau, 2 december 1908 – (bladzijde 56,57)

Eerder geplaatst op 7 november 2013 

Over matigheid en gezondheid

Men kan op de meest uiteenlopende manieren onmatig (Duits: unbesonnen) zijn. Men kan onmatig zijn door overmatig eten en drinken. Dit is de laagste soort van onmatigheid. Dan gaat de ziel volledig op in de lichamelijke begeerten, en we leven ons volledig in ons lichaam uit. Als we echter onze begeerten in de hand nemen, als we in feite het lichaam bevelen wat hij doen mag en niet doen mag, dan zijn we bezonnen, men kan ook zeggen: matig. En dan behouden we door deze matigheid ook de krachten in orde, die meewerken moeten dat we in de volgende incarnatie de betreffende organen niet aan Lucifer overleveren. Want we leveren de krachten aan Lucifer uit door de overgave aan een hartstochtelijk leven. Het ergste in het geval wanneer de hartstochten ons in een roestoestand brengen, als we ons weldadig voelen in een staat van wegdromen en wegdoezelen.

Als we onze matigheid verliezen, geven we altijd krachten aan Lucifer over. Deze krachten neemt hij, maar daarmee neemt hij van ons ook de krachten, welke we voor de ademhalings- en spijsverteringsorganen nodig hebben, en we komen dan met slechte ademhalings- en spijsverteringsorganen weer op aarde, als we niet de deugd van de matigheid beoefenen. Degenen die zich graag laten meeslepen door hun begeerteleven, die zich aan hun hartstochten overgeven, zijn kandidaten voor de decadente mensen van de toekomst, voor de toekomstige mensen die onder alle mogelijke gebreken van hun fysieke lichaam zullen lijden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 159 – Das Geheimnis des Todes – Zürich, 31 januari 1915 (bladzijde 20-21)