Benamingen

In de voordrachten over de astrale wereld heb ik geprobeerd te beschrijven welke weg de menselijke ziel heeft te doorlopen, nadat ze door de poort van de dood gegaan is. Deze weg door de zielenwereld – of de astrale wereld zoals het in de theosofische literatuur genoemd wordt -, is relatief kort. Het langste deel van de tijd welke de menselijke ziel nodig heeft om van de ene incarnatie naar de volgende te komen, besteedt ze in de geestelijke wereld, in wat men in de theosofie devachan, het land van de goden, noemt. Ik zal, om een Duitse uitdrukking te gebruiken, de woorden “geestenland” (Geisterland) of “geesteswereld” (Geisteswelt) voor “devachan” gebruiken. We moeten erop letten dat we langzamerhand Duitse uitdrukkingen invoeren. En als we weten dat we met het zogenaamde geestenland niets anders bedoelen dan wat in de theosofie devachan is, dan zullen we elkaar begrijpen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 11 februari 1904 (bladzijde 119)

Eerder geplaatst op 2 januari 2018

41gWzxHeOQL._SY264_BO1,204,203,200_QL40_ML2_

Continuïteit van het bewustzijn 

In het huidige stadium van de ontwikkeling verlaat de mens in de slaap zijn lichaam. Hij wandelt, soms ver verwijderd van zijn fysieke lichaam, in de astrale wereld en komt daar met andere wezens van de astrale wereld samen en wisselt gedachten met hen uit. Wanneer de mens echter ontwaakt, herinnert hij zich dat niet. Dat hangt samen met zijn huidige stadium van ontwikkeling. De ontwikkeling kan echter steeds hoger en hoger worden.

De leerling, die onder leiding van een zogenaamde meester leert, kan langzamerhand zijn bewustzijn tot een continu, tot een voortdurend bewustzijn maken. Dan zal hij de ervaringen van de nacht zich tijdens zijn waaktoestand als herinnering in zijn bewustzijn kunnen brengen. Als de leerling deze continuïteit van het bewustzijn bereikt heeft, dan herinnert hij zich wat hij in de astrale wereld heeft ontvangen. Deze bevindingen van de leerling zijn niet in de fysiek-zintuiglijke wereld geleerd,  maar ze zijn in de astrale wereld ervaren en overgebracht in zijn fysieke leven. Dit is wat Plato bedoelde als hij over de herinnering aan hogere zielstoestanden spreekt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 18 november 1903 (bladzijde 62-63)

Eerder geplaatst op 31 december 2017  (2 reacties)

41gWzxHeOQL._SY264_BO1,204,203,200_QL40_ML2_

Ook een ziener kan zich in een detail vergissen

Niemand is in staat de astrale wereld in zijn totaliteit te beschrijven; ze is rijker en omvangrijker dan onze fysieke wereld. Ik geef toe dat ook de geestelijke onderzoeker zich in een detail kan vergissen, net zoals men zich in de fysieke wereld kan vergissen, als men bijvoorbeeld de hoogte van een berg bepalen wil. Maar net zomin als een dergelijke fout in een detail een reden kan zijn om de fysieke wereld te ontkennen, net zomin kan een mens geneigd zijn vanwege een fout in een detail de werkelijkheid van de astrale wereld te ontkennen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 28 oktober 1903 (bladzijde 32)

Eerder geplaatst op 30 december 2017 (3 reacties)

41gWzxHeOQL._SY264_BO1,204,203,200_QL40_ML2_

De mens is zich niet bewust van de uitwerking van zijn gevoelens

Niet voor niets, niet zinloos heeft de antroposofische beweging de mensen gewezen op deze onzichtbare werelden, waarvan de mensen een deel zijn, waarin we voortdurend invloeden uitoefenen. U kunt geen woord spreken, geen gedachte denken zonder dat gevoelens in de ruimte een uitwerking hebben. Zoals onze daden in de ruimte werken, zo werken ook de gevoelens; ze doortrekken de ruimte en beïnvloeden de mensen en de gehele astrale wereld.

De mens is zich onder gewone omstandigheden niet bewust, dat een stroom van werkingen van hem uitgaat, dat hij een oorzaak is waarvan de uitwerkingen overal in de wereld zijn waar te nemen. Hij is zich er niet van bewust, dat hij daardoor ook onheil aanrichten kan, dat hij stromen van lust en onlust, van hartstochten en driften de wereld inzendt, die op andere mensen op zeer schadelijke wijze kunnen werken. Hij is zich niet bewust wat hij met zijn gevoelsleven teweegbrengt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 28 oktober 1903 (bladzijde 27)

Eerder geplaatst op 29 december 2017

Velen zeggen: Wat moeten wij met die hogere kennis? (2 – slot)  

Er is een zin in het occultisme die nu bekend worden kan: Elke leugen is in de onstoffelijke wereld een moord! – Dit is een zeer betekenisvolle zin, waarvan het belang pas wordt beseft door wie inzicht in hogere werelden heeft. Hoe gemakkelijk zeggen de mensen: Ach, dat is maar een gedachte, een gevoel, dat blijft in de ziel; een hengst voor de kop mag ik niet geven, maar een slechte gedachte doet geen schade. 

Er is geen onjuister spreekwoord dan: Gedachten zijn kostenvrij (Duits: zollfrei), want iedere gedachte, ieder gevoel is een realiteit, en wanneer ik denk dat iemand een slecht mens is of ik bemin hem niet, dan is dat voor wie in de astrale wereld kan schouwen, als een pijl, als een bliksem die zich als een geweerkogel naar de ander beweegt en hem beschadigt. Ieder gevoel, iedere gedachte is een wezen, een vorm in de astrale wereld en voor wie in deze wereld kan kijken is het dikwijls veel erger om te zien hoe iemand een slechte gedachte over een ander koestert dan wanneer iemand die ander fysiek schaadt. 

Maakt men deze waarheid bekend, dan betekent dat moraliteit vestigen, motiveren (Duits: begründen), niet prediken. Zegt men over een mens de waarheid, dan vormt zich een gedachtenvorm, die de ziener naar kleur en vorm kan herkennen en die het leven van onze naaste versterkt. De gedachte die een waarheid bevat, gaat naar het wezen toe op wie hij betrekking heeft, en bevordert en verlevendigt het. Als ik dus een waarheid denk over mijn medemensen, dan versterk ik zijn leven; zeg ik een leugen over hem, dan laat ik een vijandige kracht op hem toe stromen, die verwoestend, ja dodelijk werkt. Daarom is iedere leugen een moord. Iedere waarheid vormt een levensbevorderend element, iedere leugen een levenshinderend element. Wie dat weet, zal zich meer in acht nemen met betrekking tot waarheid en leugen dan degene die alleen preekt dat men altijd netjes de waarheid moet zeggen.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart, 23 augustus 1906 (bladzijde 23-24)

Eerder geplaatst op 5 februari 2015