Vreugde hebben we niet verdiend, maar is een geschenk en genade van goddelijke machten – 2 (slot)

[…] Dit betekent echter niet een soort preek tegen plezier, niet de oproep dat we ons aan zelfpijnigingen moeten overgeven, ons misschien met gloeiende tangen moeten knijpen en dergelijke. Dat moet het niet zijn. Als men een zaak op de juiste wijze erkent, betekent dat niet dat men ervoor vluchten moet.

[…] Maar we moeten de stemming ontwikkelen dat we het als genade ervaren, en hoe meer, hoe beter, want des te meer duiken we in het goddelijke. Dus niet om ascese te preken, maar om de juiste stemming tegenover lust en vreugde te wekken, zijn deze woorden gezegd.

[…] En in feite zijn zelfpijnigingen van asceten, monniken en nonnen een voortdurend opstaan tegen de goden. Het past ons dat we de smarten als iets voelen dat ons door ons karma toekomt, en dat we de vreugde als genade voelen, die het goddelijke zich tot ons verwaardigen (Duits: herablassen) kan. Als teken hoe dichter God ons naar zich toegetrokken heeft, zal lust en vreugde ons zijn, en als teken hoe ver we verwijderd zijn van wat we als verstandige mensen bereiken moeten, zal pijn en verdriet ons zijn.

Dit is de basisstemming tegenover karma, en zonder deze basisstemming kunnen we in het leven niet vooruitkomen. We moeten voelen aan wat de wereld ons als het goede en mooie laat toekomen, dat achter deze wereld de machten staan, waarvan in de Bijbel gezegd is: en zij zagen dat het mooi en goed was, de wereld. – In zoverre we echter pijn en smart ondervinden kunnen, moeten we erkennen dat wat de mens in de loop van incarnaties uit de wereld, die aanvankelijk goed was, gemaakt heeft en wat hij verbeteren moet, doordat hij zich tot het energiek verdragen van deze smarten opvoedt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Wenen, 8 februari 1912 (bladzijde 250-251)

Eerder geplaatst op 1 september 2016

Wereldontvluchtende ascese deugt niet voor de helderziendheid

De meditatie leidt eerst weg uit de zintuiglijke waarneming. Door innerlijke arbeid van de ziel wordt de mens vrij van de zintuigen. Iets vergelijkbaars doet zich bij een mens voor bij de operatie van een blindgeborene. Een soort operatie vindt plaats, die spirituele ogen en oren opent. Deze ontwikkeling zal over langere tijd de gehele mensheid bereiken. Het aardse mag men daarom echter niet verloochenen, als men zich hoger ontwikkelen wil. Wereldontvluchtende ascese deugt niet voor de helderziendheid. Helderziendheid is de vrucht van wat de ziel in de zintuiglijke wereld verzamelt. Op mooie wijze vergelijkt de Griekse filosofie de mensenziel met een bij. De wereld van kleuren en licht biedt de ziel de honing die zij meebrengt in de hogere wereld. Zintuiglijke ervaring moet de ziel vergeestelijken en omhoogdragen in hogere werelden.

 Bron: Rudolf Steiner – GA 55 –  Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben – Berlijn, 22 november 1906 (bladzijde 92-93)

Zie ook: De zintuiglijke wereld is de school

Eerder geplaatst op 8 december 2014

Wereldvreemd en ver van de werkelijkheid

Hoewel het hier al vaker genoemd is van de een of andere kant, mag er misschien toch nog wel eens op worden gewezen dat het het onredelijkste en tegelijk  onmogelijkste verwijt is dat men de geesteswetenschap en haar arbeid kan maken, dat zij de mensen op een of andere manier wereldvreemd en ver van de werkelijkheid zou maken of ze tot ascese zou verleiden. Steeds weer moet worden benadrukt dat aan onze zintuiglijke wereld, onze wereld van het aardse leven een geestelijke wereld met haar wezens en krachten ten grondslag ligt, die voortdurend in onze zintuiglijke wereld inwerkt en dat daarom diegene wereldvreemd en ver van de werkelijkheid genoemd moet worden, die zich niet om de ware en werkelijke krachten van het bestaan bekommert en zich enkel tot de uiterlijke wereld, op wat de zintuigen zeggen en wat ze genieten kunnen, beperken wil.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn, 12 december 1907 (bladzijde 132)

Eerder geplaatst op 12 juli 2014

Praktische werkelijkheid is de beste spirituele voorbereiding

Ik heb in mijn boek “Vom Menschenrätsel” erop gewezen dat men zeggen kan: Zoals de mens uit zijn slaap, waarin hij slechts een zeer dof bewustzijn heeft, ontwaakt tot het gewone waakbewustzijn, zo kan hij ontwaken uit dit gewone bewustzijn, waarin hij zich in het leven gewoonlijk bevindt, tot het geestelijk waarnemen. Het is een ontwaken in een bovenzinnelijke wereld, dat men zich verwerft door de geesteswetenschappelijke methode. Maar zoals het normale dagelijkse leven nooit gezond kan zijn, als men niet regelt dat de slaap gezond is, zo kan de entree in de geestelijke wereld niet gezond zijn, als men niet eerst een gezond, op de bodem van echte werkelijkheid en praktische levenswijsheid staand gewoon leven kan ontwikkelen; als men zich niet eerst discipline heeft geleerd, zodat men in het uiterlijke leven een mens is die tegen de werkelijkheid is opgewassen.

Het ontwaken tot spirituele waarneming kan alleen volgen vanuit een gezond leven overdag, zoals het ontwaken tot een gezond leven overdag alleen uit een gezonde, niet door ziekte gestoorde slaap kan voortkomen. Alles waardoor de mens zich op een of andere wijze van het leven en de werkelijkheid vervreemdt, alles wat de mensen zoeken vanuit dwaasheid, vanuit vooroordelen, in een valse ascese, in een verkeerde afkeer van het leven, in een mystieke schemering of ook wel mystieke duisternis, dat alles moet de geesteswetenschap uit haar activiteiten verbannen. Het op de juiste wijze midden in het leven staan, het oog in oog staan met de praktische werkelijkheid, dat is de beste voorbereiding om de geestelijke wereld in te gaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 072 – Freiheit/Unsterblichkeit/Soziales Leben – Bazel, 19 oktober 1917 (bladzijde 78-79)

Eerder geplaatst op 16 januari 2014

Waarom wijzen velen de antroposofie af?

Het kan zijn, dat een mens zich te zwak voelt, dat hij niet de kracht in zichzelf kan vinden tot begrip voor mededelingen uit de geestelijke wereld. Als dat het geval is, wijst hij ze af uit een soort drift tot zelfbehoud. Hij zou zichzelf verwarren als hij deze mededelingen in zich op zou nemen. Dat voelt hij. En in wezen is het bij allen, die de op de weg van het geestelijk onderzoek verkregen mededelingen afwijzen, deze drift tot zelfbehoud, die deze dingen verwerpt: een bewustzijn dat niet in staat is, oefeningen – dus in de beste zin van het woord ascese – op zichzelf toe te passen. Een dergelijke zelfbeschermingdrang zegt: Als ik deze dingen zou benaderen, zouden ze mij verwarren; ze zouden, als ze in mijn gedachten zouden komen, mijn geest vervullen; ik zou er niets mee kunnen beginnen; dus wijs ik ze af!

Bron: Rudolf Steiner – GA 58 – Metamorphosen des Seelenlebens – Berlijn, 11 november 1909 (bladzijde 196-197)

Eerder geplaatst op 27 juni 2013