Steiner als opvoeder en huisonderwijzer (slot)

Mijn pupil kon het gymnasium aflopen, waarbij ik hem tot de ‘Unterprima’ begeleidde, daarna had hij mij niet meer nodig. Na het eindexamen ging hij medicijnen studeren, hij werd arts en is als zodanig in de wereldoorlog omgekomen. De moeder, die door mijn werken met haar zorgenkind, dat ze innig lief had, in een trouwe vriendschap met mij verbonden was, stierf korte tijd later. De vader overleed reeds eerder.

Een groot deel van mijn jeugd is met deze taak vergroeid. Vele jaren ging ik ’s zomers met de familie naar de Attersee in Salzkammergut, waardoor ik de heerlijke natuur van de Oostenrijkse Alpen leerde kennen. Langzamerhand kon ik de privélessen, die ik eerst nog had aangehouden bij mijn pedagogische taak, aan anderen overdragen, waardoor ik weer tijd kreeg voor mijn eigen studie.

Voor ik bij deze familie kwam had ik in mijn leven weinig gelegenheid gehad om deel te nemen aan kinderspelen. Mijn ‘tijd van spelen kwam voor mij pas na mijn twintigste jaar. Maar ik moest ook leren hóe men speelt, daar ik zelf spelleider moest zijn. Ik vond dit heerlijk en ik meen zelfs dat ik tenslotte in mijn leven niet minder heb gespeeld dan andere mensen. Alleen heb ik datgene wat men anders vóór zijn tiende jaar in dit opzicht doet, tussen mijn drie- en mijn achtentwintigste jaar ingehaald.

Bron: Rudolf Steiner – GA 28 – MEIN LEBENSGANG (bladzijde 107-108)

Overgenomen uit MIJN LEVENSWEG (bladzijde 71-72) – Vertaling W.A.C. Labberté

Eerder geplaatst op 6 maart 2011

Salonspiritualisme

Het komt er in het leven over het algemeen niet op aan wat iemand zegt of wat hij gelooft. Dat is een zeer persoonlijke zaak. In de werking komt het erop aan dat men de feiten, die niet alleen in de zintuiglijke wereld zijn, maar die de spirituele wereld doorweven en doortrekken, kan gebruiken en voor het leven weet vruchtbaar te maken. Wanneer dus een arts nog zo’n vrome man is en nog zo veel ideeën heeft over een of andere geestelijke wereld, als hij echter met betrekking tot wat hij uitvoert, te werk gaat volgens de regels die geheel en al uit een materialistische gezindheid zijn voortgekomen, dus als hij zo geneest, alsof er alleen een lichaam zou zijn, dan mag hij volgens zijn theorie nog zo spiritueel gezind zijn: hij is een materialist. Want het hangt er niet vanaf wat iemand zegt of gelooft, maar dat hij de krachten die achter de uiterlijke, zintuiglijke wereld staan, in levende beweging weet te zetten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 107 – Geisteswissenschaftliche Menschenkunde – Berlijn 10 november 1908 (Bladzijde 101)

Eerder geplaatst op 3 oktober 2012

Zie ook: De ware geest is de praktische geest

Het juiste medicijn en de juiste vragen

Dat is juist bij de goede medicijnen zo belangrijk, dat de arts niet alleen weet: voor deze ziekte gebruik ik dit of dat, maar dat hij weet wat hij aan de individuele patiënt vragen moet. Dat is de grootste medische kunst, dat als een ziekte zich voordoet, men aan de patiënt de juiste vragen stelt, dat men hem tot op zekere hoogte kent. Dat is van zeer groot belang. Het is bijvoorbeeld merkwaardig, dat men artsen treft die over een patiënt spreken en als men ze vraagt: Hoe oud is hij? – dat hebben ze hem helemaal niet gevraagd! Maar dat is immers zo belangrijk, dat men een vijftigjarige heel anders, wanneer ook met dezelfde middelen, moet behandelen dan een veertigjarige. Men moet dan niet allen maar zo schematisch zijn, dat men zegt: voor die en die ziekte is dat en dat middel goed. Het is een heel groot verschil of u iemand, die voortdurend met diarree rondloopt, met een middel wilt helpen, of dat u iemand wilt helpen, die voordurend met verstopping rondloopt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 348 – Über Gesundheit und Krankheit – Dornach, 27 december 1922 (bladzijde 169-170)

Eerder geplaatst op 17 augustus 2012

Kamaloka (2-slot) – De pleger van vivisectie moet na de dood alle kwellingen doormaken, die hij de dieren heeft aangedaan

Vooral vreselijk is daardoor het kamaloka van plegers van vivisectie. De theosoof/antroposoof mag niet kritiek uitoefenen op wat de wereldverschijnselen bieden, wel kan hij echter begrijpen hoe de moderne mens tot zulke dingen komen kon. In de Middeleeuwen zou geen mens eraan gedacht hebben en in de oudheid zou iedere arts het voor de grootste onzin hebben gehouden om het leven te vernietigen om het leven te leren kennen, want het is waar dat nog in de Middeleeuwen een groot deel der mensen helderziend was en de artsen de mens doorzien konden en zagen, wat in hem beschadigd was en wat hem mankeerde. Bijvoorbeeld Paracelsus; hij doorzag het fysieke lichaam. Maar de tijd van de materiële cultuur moest komen, waar de helderziendheid verloren ging. Vooral bij de huidige artsen en natuuronderzoekers zien we dit, en de vivisectie was een gevolg daarvan. Zo is het te begrijpen, maar nooit te verontschuldigen of te rechtvaardigen. Onvermijdelijk treden de gevolgen van een dergelijk lijden veroorzakend leven op: De pleger van vivisectie moet na de dood alle kwellingen doormaken, die hij de dieren heeft aangedaan, zijn ziel is als het ware in elke pijn die hij berokkend heeft. Zijn onopzettelijkheid, het vooruitbrengen van de wetenschap, “het goede doel”, zijn geen excuses. De wet van het geestelijk leven is onverbiddelijk.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart 24 augustus 1906 (bladzijde 35-36)

Salonspiritualisme

Het komt er in het leven over het algemeen niet op aan wat iemand zegt of wat hij gelooft. Dat is een zeer persoonlijke zaak. In de werking komt het erop aan dat men de feiten, die niet alleen in de zintuiglijke wereld zijn, maar die de spirituele wereld doorweven en doortrekken, kan gebruiken en voor het leven weet vruchtbaar te maken. Wanneer dus een arts nog zo’n vrome man is en nog zo veel ideeën heeft over een of andere geestelijke wereld, als hij echter met betrekking tot wat hij uitvoert, te werk gaat volgens de regels die geheel en al uit een materialistische gezindheid zijn voortgekomen, dus als hij zo geneest, alsof er alleen een lichaam zou zijn, dan mag hij volgens zijn theorie nog zo spiritueel gezind zijn: hij is een materialist. Want het hangt er niet vanaf wat iemand zegt of gelooft, maar dat hij de krachten die achter de uiterlijke, zintuiglijke wereld staan, in levende beweging weet te zetten.

Bron: Rudolf Steiner – GA 107 – Geisteswissenschaftliche Menschenkunde – Berlijn 10 november 1908 (Bladzijde 101)

Zie ook: De ware geest is de praktische geest