Het juiste medicijn en de juiste vragen

Dat is juist bij de goede medicijnen zo belangrijk, dat de arts niet alleen weet: voor deze ziekte gebruik ik dit of dat, maar dat hij weet wat hij aan de individuele patiënt vragen moet. Dat is de grootste medische kunst, dat als een ziekte zich voordoet, men aan de patiënt de juiste vragen stelt, dat men hem tot op zekere hoogte kent. Dat is van zeer groot belang. Het is bijvoorbeeld merkwaardig dat men artsen treft die over een patiënt spreken en als men ze vraagt: Hoe oud is hij? – dat hebben ze hem helemaal niet gevraagd! Maar dat is immers zo belangrijk, dat men een vijftigjarige heel anders, wanneer ook met dezelfde middelen, moet behandelen dan een veertigjarige. Men moet dan niet alleen maar zo schematisch zijn dat men zegt: voor die en die ziekte is dat en dat middel goed. Het is een heel groot verschil of u iemand, die voortdurend met diarree rondloopt, met een middel wilt helpen, of dat u iemand wilt helpen, die voortdurend met verstopping rondloopt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 348 – Über Gesundheit und Krankheit – Dornach 27 december 1922 (bladzijde 169-170)

Eerder geplaatst op 14 oktober 2014

Steiner als opvoeder en huisonderwijzer (3 – slot)

Mijn pupil kon het gymnasium aflopen, waarbij ik hem tot de ‘Unterprima’ begeleidde, daarna had hij mij niet meer nodig. Na het eindexamen ging hij medicijnen studeren, hij werd arts en is als zodanig in de wereldoorlog omgekomen. De moeder, die door mijn werken met haar zorgenkind, dat ze innig lief had, in een trouwe vriendschap met mij verbonden was, stierf korte tijd later. De vader overleed reeds eerder.

Een groot deel van mijn jeugd is met deze taak vergroeid. Vele jaren ging ik ’s zomers met de familie naar de Attersee in Salzkammergut, waardoor ik de heerlijke natuur van de Oostenrijkse Alpen leerde kennen. Langzamerhand kon ik de privélessen, die ik eerst nog had aangehouden bij mijn pedagogische taak, aan anderen overdragen, waardoor ik weer tijd kreeg voor mijn eigen studie.

Voor ik bij deze familie kwam had ik in mijn leven weinig gelegenheid gehad om deel te nemen aan kinderspelen. Mijn ‘tijd van spelen’ kwam voor mij pas na mijn twintigste jaar. Maar ik moest ook leren hóe men speelt, daar ik zelf spelleider moest zijn. Ik vond dit heerlijk en ik meen zelfs dat ik tenslotte in mijn leven niet minder heb gespeeld dan andere mensen. Alleen heb ik datgene wat men anders vóór zijn tiende jaar in dit opzicht doet, tussen mijn drie- en mijn achtentwintigste jaar ingehaald.

Bron: Rudolf Steiner – GA 28 – MEIN LEBENSGANG (bladzijde 107-108)

Overgenomen uit MIJN LEVENSWEG (bladzijde 71-72) – Vertaling W.A.C. Labberté

Eerder geplaatst op 17 december 2015

Julius Robert Mayer

De ontwikkeling van de wetenschap is soms merkwaardig. In Heilbronn staat tegenwoordig een monument dat nogal afschuwelijk is als kunstwerk, maar evengoed staat het er; het stelt Julius Robert Mayer voor. Als u vandaag de dag ergens in de wetenschap de naam Julius Robert Mayer hoort, dan leert u dat hij – doordat hij in de jaren 40 van de vorige eeuw de aard van de werkingen van warmte onderzocht heeft – een baanbrekend genie was.

Julius Robert Mayer werd in Heilbronn geboren, werkte als arts in Heilbronn en werd in die tijd niet bijzonder opgemerkt. De wetenschappers van die tijd schonken geen aandacht aan hem. En het is hem overkomen dat hij – hoewel hij nu als geniale baanbreker van de wetenschap, als geniale pionier van de natuurkunde wordt beschreven – in de tijd dat hij in Tübingen zijn doctoraal examen deed hierbij mislukte. Zoals we overigens ook hier het merkwaardige feit kunnen zien dat de meeste mensen die later genieën zijn geworden, bij hun examens gefaald hebben.

Zo is het ook met Julius Robert Mayer gegaan. Met hangen en wurgen kwam hij nog door het examen en werd arts. (Duits: Mit Ach und Krach konnte er die Geschichte noch machen und wurde Arzt.) Maar niemand heeft hem tijdens zijn leven opgemerkt. Integendeel: hij was zo enthousiast over zijn ontdekking dat hij er overal over sprak. Toen heeft men over hem gezegd: Hij heeft een tik van de molen gehad (Duits: er hat Ideenflucht), en heeft hem naar een krankzinnigengesticht gebracht. Dus toentertijd heeft men hem in een gesticht opgesloten, het nageslacht beschouwt hem als een groot genie en heeft een standbeeld van hem neergezet in zijn geboortestad.

Bron: Rudolf Steiner – GA 354 – Die Schöpfung der Welt und des Menschen – Dornach, 18 september 1924 (bladzijde 208-209)

P.S. Wat de opname van Julius Mayer in een krankzinnigengesticht betreft, is het wel wat anders gegaan dan Steiner hier vertelt. Althans in Wikipedia staat heel wat anders, namelijk:

In 1848 overleden von Mayers twee kinderen kort na elkaar, waarna zijn zenuwen het volledig begaven. Op 18 mei 1850 deed von Mayer een zelfmoordpoging, waarna hij werd opgenomen in verschillende psychiatrische inrichtingen in Esslingen am Neckar en Winnenden. In de jaren daarna leefde hij als een gebroken man. Pas in 1860 vertoonde hij zich weer meer in het openbaar, maar ondertussen had hij wel meer naam gekregen. In 1871 kreeg hij van de Royal Society de Copley Medal. Tijdens de laatste jaren van zijn leven was von Mayer werkzaam als arts.

Steiner zal vast wel gelijk hebben dat Mayer door wetenschappers toen niet voor vol werd aangezien, maar dat hij om die redenen naar een psychiatrische inrichting is gebracht, lijkt mij onwaarschijnlijk. Dat iemand krankzinnig wordt als zijn beide jonge kinderen kort na elkaar overlijden, dat kan iedereen wel begrijpen

Het lijkt dus dat Steiner hier nogal wat afwijkt van de feiten. Men moet er echter wel rekening mee houden dat Steiner enkele dagen na deze voordracht zelf ingestort is, niet om psychische reden, maar wegens totale uitputting en een buikziekte.

De Duitse arts en natuurkundige Julius Robert von Mayer (1814-1878) was een van de grondleggers van de thermodynamica. Hij formuleerde in 1841 de Wet van behoud van energie en kwam daarna met de eerste wet van de thermodynamica.

Knapper dan Plato

Wij antroposofen zijn toch niet zo dat we zoals andere mensen ervan spreken dat we het “zo heerlijk ver gebracht hebben”. Luister maar eens naar een hedendaagse arts die geheel en al op het tegenwoordige standpunt staat, of hoor eens een hedendaagse filosoof en zo meer, ze zeggen: We hoeven helemaal niet zo ver terug te gaan, dan treffen we mensen die eigenlijk helemaal niets waren; een man als Paracelsus was eigenlijk een idioot, en een gymnasiumleraar van vandaag de dag is knapper dan Plato.

Dat is een filosofie die al door Hebbel bedacht (Duits: durchgehechelt) is. Als idee voor een drama vindt men in zijn dagboek opgetekend het idee dat een gymnasiumleraar de wedergeboren Plato als leerling in zijn klas heeft. Dat wilde Hebbel als dramatisch figuur beschrijven en aantonen hoe de schoolmeester de wedergeboren Plato voor zich heeft, die absoluut niets begrijpen kan van wat de leraar over Plato zegt. Dat wilde Hebbel in een drama beschrijven. Het is echt jammer dat hij dit idee niet in een drama heeft uitgevoerd, want het is werkelijk een erg mooi idee.

Bron: Rudolf Steiner – GA 157 – Menschenschicksale und Völkerschicksale – Berlijn, 22 juni 1915 (bladzijde 284-285)

Veel weten, maar toch eigenlijk niets weten

Van wat er van onze Europese en Amerikaanse universiteiten uitgaat aan zogenaamde mensenwijsheid, maar ook aan sociale wijsheid, aan technische wijsheid enzovoort, dat beschouwt de wereld met uitsluiting van al de factoren, die toch de mensen heel vanzelfsprekend in zich dragen. Wie tegenwoordig in een of andere leidende mensheidspositie is, zelfs al is het een lage leidende functie, die heeft helemaal geen gelegenheid het een en ander te leren kennen, dat hem in staat zou stellen inzicht in de mens te verwerven. En zonder mensenkennis is er geen sociaal leven, zonder mensenkennis is er ook geen vernieuwing van het Christendom.

Men kan tegenwoordig theoloog worden zonder een idee te hebben wat het mysterie van Golgotha inhoudt, want de meeste theologen hebben geen idee wie Christus is. Men kan tegenwoordig advocaat worden zonder er een idee van te hebben wat eigenlijk het mensenwezen is. Men kan arts worden zonder er een idee van te hebben, hoe het mensenwezen vanuit de kosmos is opgebouwd, zonder er een idee van te hebben, hoe het gezonde en het zieke lichaam zich tot elkaar verhouden. Men kan vandaag de dag technicus zijn zonder er een idee van te hebben welke invloed de bouw van een of andere machine op het gehele verloop van de aarde-evolutie heeft, en men kan vandaag de dag een geniale uitvinder van een telefoon zijn, zonder er een idee van te hebben wat de telefoon voor de gehele aarde-ontwikkeling betekent.

De mensen missen het zicht op het verloop van de menselijke ontwikkeling. En ieder mens heeft zo zijn verlangen zich een kleine kring te vormen en in deze kleine kring een routine te verwerven, deze routine te gebruiken ten gunste van zijn egoïsme, dat hij voor zich creëert zonder er rekening mee te houden, hoe het ingevoegd wordt wat hij als een deel van de wereld inbrengt, in deze wereld als geheel.

Bron: Rudolf Steiner – GA 196 – Geistige und soziale Wandlungen in der Menschheitsentwickelung – Dornach, 6 februari 1920 (bladzijde 158-159)