Egoïsme/Armoede/ Ellende (6 van 11) – Zo absurd dit klinkt, zo waar is het

Van de erkenning van dit beginsel, dat iemand de opbrengst van zijn arbeid niet in de vorm van een persoonlijke beloning zal ontvangen, hangt uitsluitend de sociale vooruitgang af. Naar geheel andere doelen leidt iemand een onderneming als hij weet dat hij niets voor zichzelf zal krijgen voor zijn werk, maar dat hij de sociale gemeenschap arbeid is verschuldigd en dat hij voor zichzelf op niets aanspraak zal maken en dat, omgekeerd, zijn levensonderhoud uitsluitend is beperkt tot wat de sociale gemeenschap hem schenkt. Zo absurd dit vandaag de dag voor velen klinkt, zo waar is het.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Hamburg, 2 maart 1908 (bladzijde 99)

Eerder geplaatst op 19 januari 2012 

Egoïsme/Armoede/ Ellende (5 van 11) – Sociale vooruitgang is alleen mogelijk, als ik mijn arbeid in dienst van het geheel verricht

Als men dit tot in de laatste consequenties doordenkt, dan komt het iemand niet meer zo zonderling voor als de oeroude zin van de geesteswetenschap wordt uitgesproken, die vandaag de dag zo onbegrijpelijk als mogelijk klinkt: In een sociale samenleving moet het motief voor de arbeid nooit in de eigen persoon van de mens liggen, maar enkel en alleen in de toewijding aan het geheel. – Dat wordt ook vaker gezegd, maar nooit zo begrepen dat men helder inziet dat ellende en armoede voortkomen uit het feit dat de mens voor zijn werk een loon voor zichzelf wil hebben. Waar is echter dat werkelijke sociale vooruitgang alleen mogelijk is, als ik mijn arbeid in dienst van het geheel verricht en dat de gemeenschap mij geeft wat ik nodig heb, met andere woorden: dat mijn arbeid niet voor mijzelf dient.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Hamburg, 2 maart 1908 (bladzijde 98-99)

Eerder geplaatst op 17 januari 2012 

Egoïsme/Armoede/ Ellende (3 van 11) – Men zegt: Het is heel natuurlijk dat de mens voor zijn arbeid beloond wordt

In de huidige tijd is men overtuigd dat een groot deel, verreweg het grootste deel van het menselijk leven op egoïsme moet zijn gebouwd. Weliswaar wil men het met woorden en theorieën niet toegeven, maar in de praktijk zal men het meteen toegeven. Men geeft het op de volgende wijze toe. Men zegt: Het is heel natuurlijk dat de mens voor zijn arbeid beloond wordt, dat de mens de opbrengst van zijn arbeid persoonlijk ontvangt – en toch is dit niets anders dan de omzetting van het egoïsme in het economische leven. We leven onder het egoïsme zodra we leven volgens het principe: Wij moeten persoonlijk beloond worden; voor mijn werk moet mij betaald worden.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Hamburg, 2 maart 1908 (bladzijde 96-97)

Eerder geplaatst op 15 januari 2012 

Egoïsme/Armoede/ Ellende (2 van 11) – Als oorzaak en gevolg hangt het egoïsme samen met ontbering en lijden

Als een natuurwet moeten we deze zin opvatten, niet zo, dat bij ieder individueel mens, als hij egoïstisch is, armoede en leed aan de dag moeten treden, maar zo dat de ellende – misschien op een heel andere plaats – toch met dit egoïsme samenhangt. Het egoïsme hangt samen met ontbering en lijden als oorzaak en gevolg.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Hamburg, 2 maart 1908 (bladzijde 96)

Eerder geplaatst op 14 januari 2012 

Egoïsme/Armoede/ Ellende (1 van 11) – De man van de praktijk zal het lachwekkend vinden

Wat is nu eigenlijk het fundamentele feit, als het ware het basisfenomeen, waarvan alle ellende, alle sociale leed in de wereld afhangt? [….] De man van de praktijk, die zichzelf veel verstandiger vindt, zal het lachwekkend vinden. Maar het is het meest praktische in het leven, dat men maar benadrukken kan. Het is de zin, waarvan u meer en meer overtuigd zult raken, dat armoede, ellende en leed niets anders zijn dan een gevolg van het egoïsme.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 054 – Die Welträtsel und die Anthroposophie – Hamburg, 2 maart 1908 (bladzijde 96)

Eerder geplaatst op 13 januari 2012