Heerschappij van het Ik

Men kan zien, hoe de mens aan deze arbeid (Steiner heeft het hier over de arbeid van het Ik aan de eigen ziel) bezig is, als men een mens, die nog geheel aan lagere begeerten en zogenaamd zinnelijk genot is overgegeven, met een edel idealist vergelijkt. De laatste groeit uit de eerstgenoemde, wanneer hij zich van lagere neigingen afwendt en zich op hogere richt. Hij heeft daardoor van het Ik uit veredelend, vergeestelijkend op zijn ziel ingewerkt. Het Ik is heerser geworden in het zieleleven. Dit kan zover gaan, dat er in de ziel geen begeerte, geen verlangen opkomt, zonder dat het Ik de macht is, die de toegang mogelijk maakt. 

Op deze wijze wordt dan de gehele ziel een openbaring van het Ik, zoals voordien alleen de bewustzijnsziel dat was. Welbeschouwd bestaat de gehele beschaving en al het geestelijke streven van de mensen uit een arbeid, die deze heerschappij van het Ik ten doel heeft. Iedere thans levende mens is met die arbeid bezig, om het even of hij wil of niet, of hij zich al van dit feit bewust is of niet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS: Wesen der Menschheit – bladzijde 70-71

Deze vertaling is van F. Wilmar 

1896-1

Arbeid en cultuurontwikkeling

In het vierde cultuurtijdperk (Grieks-Romeins 747 v.Chr.-1413 n.Chr.) werd de arbeid als eerbetoon uitgevoerd (slavenarbeid). In het vijfde cultuurtijdperk (ons huidige Germaans-Angelsaksische tijdperk 1413-3573) wordt de arbeid als product (Duits: Ware) behandeld (verkocht). In het zesde (Slavische) cultuurtijdperk (3573-5733) wordt de arbeid als offer uitgevoerd (gratis arbeid). Het economische bestaan zal dan gescheiden zijn van de arbeid; er zal geen eigendom meer zijn, alles is gemeenschappelijk. Men werkt dan niet meer voor zijn eigen bestaan, maar verricht alles als absoluut offer voor de mensheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 93a – Grundelemente der Esoterik – Berlijn, 31 oktober 1905 (bladzijde 231)

Steiner_Berlin_1900_big

Eerder geplaatst op 6 mei 2017  (13 reacties)

Arbeid/Werkloosheid

Werk als zodanig heeft geheel geen belang, als ze niet verstandig geleid wordt! Alleen door de mensen ingevoerde wijsheid is datgene te produceren en te scheppen, wat de mensen dient. Wie dit niet inziet en ook maar in het geringste daar tegen zondigt, zondigt tegen het sociale denken in de huidige tijd.

Dit te overdenken in alle mogelijke fasen, dat maakt het denken sterk. Wie – zoals de sociaaldemocraten – erover nadenkt hoe men banen schept om de werkloosheid af te schaffen, denkt in de hoogste mate antisociaal. Het komt er veel meer op aan dat arbeid alleen, uitsluitend, voor mensen gebruikt wordt om waardevolle goederen te creëren.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Hamburg, 3 maart 1906 (bladzijde 128)

Eerder geplaatst op 24 juni 2015  (2 reacties)

Allerlei van die verwarde, fantastische speculaties

Veel van onze tijdgenoten hebben vanuit een min of meer oppervlakkige kennisname de idee gekregen dat de geesteswetenschap iets is, wat veraf ligt van alle praktijk van het leven, zo ongeschikt als maar mogelijk is, om op een of andere manier in te grijpen in dit praktische dagelijks leven. Niet zelden zult u een voorstelling aantreffen die zich uitdrukt in de woorden: Ach, die geesteswetenschap is iets voor enkele lieden, die zat van het leven zijn, die niets praktisch te doen hebben en die daarom tijd in overvloed hebben om zich met allerlei van die verwarde, fantastische speculaties, zoals de geesteswetenschappelijke ideeën het zijn, bezig te houden.

Nu zal van meet af aan niet ontkend worden dat in feite een dergelijke tegenwerping bij vele verschijnselen, die zogezegd als theosofisch/antroposofisch optreden, zelfs gerechtvaardigd is, dat het in veel gevallen voorkomt dat degenen die zich met spirituele dingen, spirituele ideeën en voorstellingen bezighouden, werkelijk zo vreemd als mogelijk tegenover het alledaagse leven staan. Maar zelfs onder degenen die zwaar te strijden en te werken hebben in het dagelijks leven en zich slechts met moeite staande houden, zijn er mensen die uit innerlijke sympathie, vanuit een hartsverlangen naar de geesteswetenschap worden gedreven. Onder dezen zal er menigeen zijn, voor wie deze dualiteit – het dagelijks beroep, de dagelijkse arbeid, het moeizame werken (Duits:Walten) van ’s morgens tot ’s avonds, en dan het opgaan in de grote ideeën – iets heerlijks heeft.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn, 12 maart 1908 (bladzijde 227-228)

Eerder geplaatst op 8 april 2015  (3 reacties)

Hoe kunnen lust en liefde weer de impulsen worden voor het dagelijks werk? – 2 (slot)

Ja, zal menigeen zeggen, creëer maar eens impulsen voor werk dat smerig, slecht en afstotelijk is! – Er zijn zulke impulsen. Probeer maar eens te denken aan wat moeders doen, als ze werk uit liefde voor hun kind doen. Denk er eens aan, waartoe de mens in staat is, als hij uit liefde voor andere mensen iets doet. Dan is er geen liefde nodig voor het product van de arbeid, dan is er een band tussen mens en mens nodig. De liefde voor het product kunt u bij de mensheid niet terugbrengen, want die was aan primitieve, eenvoudige omstandigheden gebonden. 

Wat de toekomst echter brengen moet, dat is het grote, alomvattende begrip en de liefde van mens tot mens. Voordat niet iedere mens uit de diepste impulsen, die alleen een spirituele wereldbeweging kan geven, de drijfveer voor zijn werkzaamheid kan vinden, voordat hij niet in staat is de arbeid uit liefde voor zijn medemensen te doen, eerder is het niet mogelijk echte impulsen te scheppen voor een heilzame toekomstontwikkeling van de mensheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn, 12maart 1908 (bladzijde 246)

Eerder geplaatst op 28 maart 2015  (8 reacties)