Nood, ellende en leed zijn niets anders dan een gevolg van het egoïsme (4 van 6)

Zolang de sociaaldemocratie de werkende klasse aanzet tot het idee, dat de mens aanspraak moet maken op de volle opbrengst van zijn arbeid, zo lang zal de mensheid in slechtere en slechtere toestanden terechtkomen. De geesteswetenschap moet het omgekeerde ontwikkelen vanuit het denken en voelen: De mens mag niets voor zichzelf willen van zijn arbeid. De mens is de sociale gemeenschap arbeid verschuldigd. De mens moet omgekeerd zijn levensonderhoud beperken tot wat de sociale gemeenschap hem schenkt.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a –Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Hamburg, 3 maart 1906 (bladzijde 129)

Eerder geplaatst op 3 augustus 2018

Nood, ellende en leed zijn niets anders dan een gevolg van het egoïsme (3 van 6)

En hiermee komen wij bij de oude zin uit de geesteswetenschap: In een sociale samenleving moet de beweegreden voor arbeid nooit in de eigen persoonlijkheid van de mensen liggen, maar enkel en alleen in de toewijding aan het geheel. Daaruit volgt dat ware sociale vooruitgang alleen mogelijk is, als ik wat ik door mijn werk tot stand breng in dienst van het geheel doe. Met andere woorden: Mijn arbeid mag niet mijzelf dienen. Van de erkenning van dit beginsel, dat iemand de opbrengst van zijn arbeid niet in de vorm van een persoonlijke beloning wil hebben, hangt alleen de sociale vooruitgang af.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a –Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Hamburg, 3 maart 1906 (bladzijde 129)

Eerder geplaatst op 2 augustus 2018  (1 reactie)

Van geld kan niemand leven

Hoeveel mensen bestaan er tegenwoordig die een geheel abstracte verwarde voorstelling van het leven, van hun persoonlijke leven hebben. Hoe leef ik? Dan zeggen ze tot zichzelf: “Nu, van mijn geld.” Onder hen zijn velen die dit geld van hun ouders geërfd hebben en nu geloven dat zij daarvan leven. Maar van geld kan men niet leven. Daar moet eerst eens begonnen worden met nadenken. En deze vraag hangt innig samen met de werkelijke interesse die men van mens tot mens heeft. Wie gelooft, dat hij leeft van het geld, dat hij geërfd heeft bijvoorbeeld of dat hij op de een of andere wijze heeft verworven (behoudens zoals tegenwoordig het geval is, dat men geld krijgt uit arbeid), wie zo leeft en gelooft, dat hij van geld kan leven, die heeft geen belangstelling voor zijn medemensen, omdat van geld niemand kan leven. De mens moet eten en wat gegeten wordt, dat moet door deze en gene mensen door arbeid opgeleverd worden. De mens moet zich kleden. Datgene wat hij aantrekt, moeten mensen maken. Opdat ik een jas kan aantrekken of een pantalon, moeten mensen urenlang hun arbeidskracht geven om dat tot stand te brengen. Die werken voor mij. Daarvan leef ik en niet van mijn geld.

Mijn geld heeft geen andere waarde dan dat het mij de macht geeft de arbeid van anderen te benutten. En zoals de sociale verhoudingen tegenwoordig liggen begint men eerst interesse voor zijn medemensen te krijgen, wanneer men de vraag voor zich op behoorlijke wijze beantwoordt. Wanneer men in de geest voor zich ziet: zoveel mensen moeten zoveel uren werken, opdat ik in de sociale structuur kan leven. Het gaat niet daarom, dat men zich op de borst slaat, terwijl men zegt: ik heb de mensen lief. Men houdt niet van mensen wanneer men gelooft, dat men van zijn geld leeft en zich niet in het minst kan voorstellen hoe de mensen voor iemand werken voordat men nog slechts het levensminimum krijgt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 186 – Die soziale Grundforderung unserer Zeit/In geänderter Zeitlage – Dornach, 30 november 1918 (bladzijde 45-46)

28199412-1579-4f2a-bd20-c2bfc9618649

Eerder geplaatst op 30 maart 2018  (11 reacties)

Heerschappij van het Ik

Men kan zien, hoe de mens aan deze arbeid (Steiner heeft het hier over de arbeid van het Ik aan de eigen ziel) bezig is, als men een mens, die nog geheel aan lagere begeerten en zogenaamd zinnelijk genot is overgegeven, met een edel idealist vergelijkt. De laatste groeit uit de eerstgenoemde, wanneer hij zich van lagere neigingen afwendt en zich op hogere richt. Hij heeft daardoor van het Ik uit veredelend, vergeestelijkend op zijn ziel ingewerkt. Het Ik is heerser geworden in het zieleleven. Dit kan zover gaan, dat er in de ziel geen begeerte, geen verlangen opkomt, zonder dat het Ik de macht is, die de toegang mogelijk maakt. 

Op deze wijze wordt dan de gehele ziel een openbaring van het Ik, zoals voordien alleen de bewustzijnsziel dat was. Welbeschouwd bestaat de gehele beschaving en al het geestelijke streven van de mensen uit een arbeid, die deze heerschappij van het Ik ten doel heeft. Iedere thans levende mens is met die arbeid bezig, om het even of hij wil of niet, of hij zich al van dit feit bewust is of niet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS: Wesen der Menschheit – bladzijde 70-71

Deze vertaling is van F. Wilmar 

1896-1

Arbeid en cultuurontwikkeling

In het vierde cultuurtijdperk (Grieks-Romeins 747 v.Chr.-1413 n.Chr.) werd de arbeid als eerbetoon uitgevoerd (slavenarbeid). In het vijfde cultuurtijdperk (ons huidige Germaans-Angelsaksische tijdperk 1413-3573) wordt de arbeid als product (Duits: Ware) behandeld (verkocht). In het zesde (Slavische) cultuurtijdperk (3573-5733) wordt de arbeid als offer uitgevoerd (gratis arbeid). Het economische bestaan zal dan gescheiden zijn van de arbeid; er zal geen eigendom meer zijn, alles is gemeenschappelijk. Men werkt dan niet meer voor zijn eigen bestaan, maar verricht alles als absoluut offer voor de mensheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 93a – Grundelemente der Esoterik – Berlijn, 31 oktober 1905 (bladzijde 231)

Steiner_Berlin_1900_big

Eerder geplaatst op 6 mei 2017  (13 reacties)