Broederlijkheid: Wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft

Antroposofie bloeit alleen op de bodem van de broederlijkheid, ze kan in het geheel niet anders volgroeien dan in de broederlijkheid, die voortkomt uit wat de individuele mens aan de anderen geeft, wat hij heeft en wat hij kan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 211 – Das Sonnenmysterium und das Mysterium von Tod und Auferstehung – Wenen 11 juni 1922 (bladzijde 211)

Waarom hebben antroposofen het dikwijls zo moeilijk ?

Het volgende artikel is overgenomen uit tijdschrift De Brug. Bij de inhoudstafel aldaar is het terug te vinden onder de titel Karma van de antroposoof.

Als antroposoof moet men dikwijls zijn leven doorbrengen temidden van mensen -familieleden en vrienden- die van antroposofie niets afweten. Men heeft ooit wel geprobeerd om deze mensen warm te maken voor het antroposofisch gedachtengoed, de ene staat er al wat welwillender tegenover dan de andere, maar uiteindelijk oogst men alleen onbegrip, spot, zelfs vijandschap. De mensen vinden het maar flauwekul. Ze zien geen reden om de antroposofie in hun leven op te nemen, en deze opvatting wordt nog versterkt wanneer ze vaststellen dat de antroposoof met al zijn mooie ideeën en gedachten eigenlijk een veel moeilijker leven heeft dan zijzelf: nu eens heeft hij problemen in zijn relatie(s), dan weer in zijn beroep, dan met zijn gezondheid. Indien alle antroposofen een uiterlijk geslaagd leven zouden leiden, dan zou ook de antroposofie voor hen misschien aantrekkelijker worden …
Ook de antroposoof twijfelt soms wel eens: wat heb ik nu eigenlijk aan gans die antroposofie ? Bezie nu toch mijn leven eens ! Als ik mijzelf vergelijk met al diegenen die zich van een geestelijke wereld niets aantrekken …

Hoe komt iemand tot de antroposofie en van waar al die persoonlijke moeilijkheden ? Rudolf Steiner legt het uit in de voordracht van 4 augustus 1924. (GA 237 – Esoterische Betrachtungen karmischer Zusammenhänge – deel 3)

[ … ] ” We moeten toegeven dat de mens in het gewone levensverband weinig van zijn karma voelt en dat hij het leven neemt alsof de dingen die voor hem belevenissen worden, nu eenmaal gebeuren langs toevallige aaneenschakelingen. Dat er in wat ons in het aardeleven gebeurt van geboorte tot de dood een karmische, lotsbeschikkende samenhang zou zijn, daar wordt weinig rekening mee gehouden. En als men er al rekening mee houdt dan gelooft men direct dat daarin iets fatalistisch werkt, iets dat de menselijke vrijheid in vraag stelt enzomeer. Ik heb meermaals uitgelegd dat precies het intensieve doordringen van de karmische samenhangen het wezen van de vrijheid pas in het juiste daglicht stelt. En zo moeten we dus niet bang zijn als we nauwkeuriger de karmische samenhangen bekijken, dat ons daardoor een onbevangen blik op het vrijheidswezen van de mens zou verloren gaan. Ik heb u de dingen geschilderd die samenhangen zowel met de vroegere aardelevens van zij die in de Michaël-gemeenschap komen als met het leven tussen dood en een nieuwe geboorte. U ziet daaruit dat het er bij die mensen -dus in de grond bij u allen- karmisch op aan komt dat het geestelijke een grote, een betekenisvolle rol speelt in de ganse innerlijke structuur van de ziel. In onze huidige materialistische tijd met al zijn opvoedings- en levensverhoudingen kan een mens op een eerlijke manier tot zoiets als de antroposofie slechts komen doordat hij een karmische impuls in zich heeft die hem tot het geestelijke drijft – komt hij er anders toe, dan is het oneerlijk. Deze karmische impuls is de samenvatting van al wat meegemaakt werd vóór het neerdalen naar dit aardeleven zoals ik het beschreven heb.
Maar dit feit, dat de mens zo sterk verbonden is met geestelijke impulsen die direct op zijn ziel werken, dat brengt hem ertoe om zich op een minder intensieve wijze als dat bij andere mensen het geval is, in de uiterlijke lichamelijkheid te voegen bij het neerdalen uit de geestelijke naar de fysische wereld. Men zou kunnen zeggen: al diegenen die zich op de beschreven manier inleefden in de Michaël-stroming waren voorbestemd om in het fysieke lichaam te komen met een zekere terughoudendheid. En dat ligt eigenlijk aan de basis van het karma van antroposofenzielen. Bij diegenen die vandaag vanuit een innerlijke drang volledig bewust en angstig ver blijven van al wat antroposofie is, bij hen vindt men overal dat ze volledig vastzitten in de fysieke lichamelijkheid. Bij diegenen die zich vandaag richten naar het geestelijke leven dat de antroposofie wil geven, vindt men minstens een lossere verhouding van astraal lichaam en Ik-organisatie tegenover de fysieke en etherorganisatie. Dat houdt dan ook in dat de mens minder gemakkelijk in het leven zijn draai vindt, eenvoudigweg omdat hij tussen meer mogelijkheden te kiezen heeft dan anderen, omdat hij gemakkelijk ontgroeit waar anderen ingroeien. Bedenkt u slechts hoe sterk vele mensen vandaag datgene zijn wat ze door uiterlijke levensomstandigheden geworden zijn, en het is zo dat er eigenlijk geen twijfel kan over bestaan dat ze passen in die uiterlijke levensomstandigheden -hoewel dat dikwijls op een merkwaardige manier wel het geval is. Men ziet een beambte  een handelaar, een werfleider, een fabrikant enz. : ze zijn wat ze zijn met een absolute vanzelfsprekendheid. Natuurlijk komt het ook bij hen voor dat ze zeggen : het lijkt alsof ik voor iets beter geboren ben, tenminste toch voor iets anders-, maar dat is dan niet zo ernstig bedoeld. Vergelijkt u daarmee eens de oneindige moeilijkheden die te vinden zijn bij hen die door een innerlijke drang naar de spiritualiteit van de antroposofie gedreven worden. Misschien wordt dat nergens zo duidelijk, zo merkwaardig intensief getoond, als juist bij de jeugd, en wel bij de jongste jeugd.

Ziet u, als men namelijk de oudere kinderen uit de Steinerschool neemt, die in de hoogste klassen zitten, dan vindt men zowel bij de mannelijke als de vrouwelijke studenten dat ze verhoudingsgewijs snel vooruitgaan met de ontwikkeling van hun ziel en geest, maar dat het daardoor reeds voor deze jonge mensen niet gemakkelijker, maar dikwijls moeilijker -want gecompliceerder-, is om het leven innerlijk te vatten. De mogelijkheden zijn wijdser, ze worden groter. En terwijl het anders in de gewone gang van het huidige leven geen al te zware opdracht is -bepaalde uitzonderingen niet meegerekend- voor diegenen die als opvoeder, als leraar de opgroeiende jeugd bijstaan, om middelen en wegen te vinden om op de juiste manier raad te geven, welnu het raadgeven wordt moeilijker als men de kinderen probeert verder te brengen zoals in de Steinerschool, omdat het algemeen-menselijke meer naar voor treedt, omdat de brede horizon die ze zich eigen maken nu eenmaal een groter getal aan mogelijkheden voor het zieleoog stelt. Daarom is het voor leraars in de Steinerschool, nadat ze door hun karma tot dit beroep zijn gebracht, zo noodzakelijk om zich van hun kant een breed gezichtsveld, een inzicht in de wereld, een gevoel voor de ganse wereld eigen te maken. Alle pedagogische maatregelen in detail zijn veel minder belangrijk op deze plaats dan precies deze wijdse blik. En men kan gerust zeggen: ook aan het karma van zo’n leraar wordt het terug duidelijk hoe het totaal aan mogelijkheden groter, ja veel groter is dan anders. Want zo’n jonge mens of een kind betekent voor een leraar niet één bepaald raadsel, maar menigvoudige, naar alle kanten gedifferentieerde raadsels. [ … ]

Deze vele mogelijkheden die daar bestaan op alle gebieden vragen van de antroposoof initiatief, innerlijk initiatief van het zielsleven. En men moet er kennis van nemen dat voor de antroposoof de volgende stelling geldt, dat de antroposoof tot zichzelf moet zeggen : nu ik eenmaal door mijn karma antroposoof geworden ben, nu verlangt datgene dat mij tot de antroposofie kon brengen dat ik er acht op sla hoe in mijn ziel -ergens meer of minder diep- de noodzaak verschijnt om in het leven zielsinitiatief te vinden, om uit het innerste van het eigen wezen iets te kunnen beginnen, een beslissing te kunnen nemen. Dat is in het karma van ieder afzonderlijk antroposoof eigenlijk geschreven: word een mens met initiatief en let erop, als ge door belemmeringen van uw lichaam of belemmeringen die zich anders voordoen, het middelpunt van uw wezen met het initiatief niet vindt, hoe in de grond leed en vreugde bij u van dit vinden of niet-vinden van het persoonlijk initiatief afhangen ! Dat is iets dat in gouden letters altijd voor de ziel van de antroposoof zou moeten staan, dat het initiatief in zijn karma ligt, en dat veel van wat hij in het leven tegenkomt, ervan afhangt in hoeverre hij zich dit initiatief wilsmatig kan bewust worden.” [ … ]

Antroposofie kan ook schadelijk werken

Hebben we niet talrijke tegenstanders die beweren dat de antroposofie een gif is en schadelijk voor de mensen? Ja, dat weten de antroposofen en de occultisten zelf, dat de antroposofie ook schadelijk werken kan; ze weten echter ook dat ze opgenomen en verwerkt moet worden om de mensen sterk te maken, en dat ze niet enkel iets is waarover men discussiëren kan, maar iets wat zich in het leven bewijst als een spirituele remedie. En dat weet de spirituele wetenschap ook, dat het fysieke vanuit het geestelijke opgebouwd wordt. […] Zijn onze ideeën over de wereld en het leven gezond, dan zijn deze gezonde gedachten de krachtigste medicijn, en alleen op zwakke naturen, die door materialisme en naturalisme zwakke naturen zijn geworden, werkt hetgeen de antroposofie als waarheid verkondigt, ziekmakend. Dat moeten zij zich eigenmaken (Duits: einverleiben) om zich sterk te maken. Pas dan heeft de antroposofie haar opgave vervuld als ze sterke mensen in het leven voortbrengt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 55 –  Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben – Berlijn 13 december 1906 (bladzijde 116)

Hoe bewijst de antroposofie wat zij beweert?

Dikwijls vraagt men: Ja, hoe bewijst de antroposofie wat zij beweert? Wie zo vraagt en, omdat de gewoonlijke manier van bewijzen in de antroposofie niet aanwezig is, de wetenschappelijkheid van de antroposofie betwist, die bedenkt niet het volgende – ik kan deze dingen alleen bij benadering uiteenzetten, maar ze gelden in de meest nauwkeurige, exacte zin – : Degene die om bewijzen vraagt, toont daarmee aan dat voor hem datgene wat moet worden bewezen, niet aanschouwelijk is. Wij bewijzen eigenlijk overal wanneer wij geen waarneming hebben. Moet ik bewijzen dat gisteren hier in deze kamer een mens was, dan zal ik een bewijs alleen dan nodig hebben, als ik die mens niet zelf heb gezien. Zo is het in principe met alle bewijzen, zo is het ook in de historische ontwikkeling van de mensheid met de bewijzen. In de tijden dat de mensen met oudere, instinctieve kennis een aanschouwing hadden van wat zij het goddelijke wezen noemden, hadden ze geen bewijzen nodig. De bewijzen voor het bestaan van God begonnen hun leven in de ontwikkeling der geschiedenis pas toen de eigen waarneming was verloren. Bewijzen beginnen overal pas wanneer er geen aanschouwing is. De antroposofische methode bestaat echter erin dat men de mensenziel zo voorbereid dat zij dan tot aanschouwing komt. Wanneer deze dan beschreven wordt – dat is het eigenaardige van de antroposofie -, dan kan zij in de vorm van het gezonde mensenverstand gebracht en eveneens begrepen worden, zoals een niet-kunstenaar een kunstwerk begrijpen kan, hoewel hij het niet maken kan. Men kan daarom niet tegenwerpen dat antroposofie met het gezonde mensenverstand niet zou kunnen worden begrepen. Onderzocht kan ze alleen worden door degene die zelf kan zien en onderzoeken. Begrepen worden kan ze echter door een ieder, die zijn gezonde mensenverstand zonder vooroordeel gebruiken wil.

Bron: Rudolf Steiner – GA 82 – Damit der Mensch ganz Mensch werde – Den Haag 12 april 1922 (bladzijde 200-202)

Rudolf Steiner – Nieuwe religies ontstaan niet meer

Antroposofie weet heel goed dat zij nooit een religie worden kan, omdat zij de feitelijke loop van de tijdsontwikkeling inziet, omdat zij weet dat men even weinig als men op 60-jarige leeftijd een kind worden kan, even weinig de mensheid in het tijdperk waarin ze nu is en in de toekomst zal zijn, religies uit zich zal kunnen vormen. Voor het vormen van religies behoren andere tijden. Nieuwe religies ontstaan niet meer.

Bron: GA 072 – Bazel 19 oktober 1917  (bladzijde 89)