Kort fragment uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner (5) – Over de beschuldiging dat Steiner de Theosofische Vereniging gebruikte als springplank voor zijn geesteswetenschap

Onder de vele beschuldigingen die men tegen mij heeft gericht in verband met mijn werken in de Theosofische Vereniging – ook van de kant van de vereniging zelf – wordt ook deze gehanteerd, dat ik in zekere zin deze vereniging, die in de wereld iets betekende, als springplank had gebruikt om de wegen te effenen voor mijn eigen geesteswetenschap.

Daarvan is in de verste verte geen sprake. Toen ik de uitnodiging van de vereniging aannam, was dit de enig ernstig te nemen instelling waarin werkelijk geestelijk leven heerste. En als de gezindheid, de houding en het werken van de vereniging dezelfde waren gebleven, dan zou het uittreden van mij en mijn vrienden nooit nodig zijn geweest. Dan zou er alleen maar binnen de Theosofische Vereniging de speciale afdeling ‘Antroposofische Vereniging’ officieel zijn opgericht.

Maar van 1906 af traden er in de heosofische Vereniging toestanden op die op schrikbarende wijze het verval toonden.

Hoewel ook vroeger al, in de tijd van H.P. Blavatsky, door de buitenwereld beweerd werd dat dergelijke toestanden bestonden, moet er toch gezegd worden dat de vereniging in het begin van de eeuw door het serieuze werk goed had gemaakt wat er aan fouten was begaan. Dit werd ten onrechte in twijfel getrokken.

Maar sinds 1906 kwamen er in de vereniging – terwijl ik niet de minste invloed had op de leiding – activiteiten voor die herinnerden aan de uitwassen van het spiritisme, en die het noodzakelijk maakten dat ik er steeds meer de nadruk op legde dat dát deel van de vereniging dat onder mijn leiding stond met deze dingen absoluut niets te maken had. Deze activiteiten bereikten hun hoogtepunt toen van een jeugdige hindoe (Krishnamurt r.v.d.) beweerd werd dat hij de persoonlijkheid was waarin Jezus Christus in een nieuw aardeleven zou optreden. Voor de verbreiding van deze absurditeit werd binnen de theosofische beweging een apart genootschap opgericht onder de naam Ster van het Oosten. Voor mij en mijn vrienden was het volslagen onmogelijk om de leden van deze Ster van het Oosten als lid in de Duitse sectie op te nemen, hetgeen zij wilden, en wat vooral de bedoeling was van Annie Besant, de presidente van het theosofische genootschap. En omdat wij dat niet konden doen, stootte men ons in 1913 uit de Theosofische Vereniging. Wij werden genoodzaakt om de Antroposofische Vereniging als een zelfstandig orgaan te stichten.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 287-288 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling: W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28Mein Lebensgang (bladzijde 413-415)

Eerder geplaatst op 17 maart 2012

Antroposofie en socialisme (7 van 11) – Het is begrijpelijk dat men juist in socialistische kringen van hogere werelden niets wil weten, omdat men niet eens een flauw idee van het bestaan daarvan heeft.

Niemand kan de uiterlijke handelingen van de mensen begrijpen die niet de geestelijke wetten leert kennen, die eraan ten grondslag liggen. De persoonlijkheden die tegenwoordig de sociale toestanden willen genezen, zouden vóór alle dingen iets over de oorzaken van deze toestanden moeten leren. En deze oorzaken liggen in de diepten van de menselijke natuur. Wat de antroposofie als de psychische (astrale) en geestelijke wereld onthult, bevat de wetten van het menselijk leven, zoals de elektriciteitsleer de wetten voor de elektromotor bevat. Het is begrijpelijk dat men juist in socialistische kringen van deze hogere werelden niets wil weten, omdat men niet eens een flauw idee van het bestaan daarvan heeft.

Maar zolang men niet bereid is in te gaan op deze hogere werelden, zal alle sociale arbeid tot onmacht veroordeeld zijn. Degenen die zowel van spirituele zaken als van sociale verhoudingen wat begrijpen, weten dat. Annie Besant, de ziel van de theosofische vereniging in het heden, stond jarenlang midden in sociale hervormingen, waarin zij een voorbeeldige en belangrijke activiteit ontwikkelde. Toen zij de opvattingen van de theosofie haar eigengemaakt had, werd het haar duidelijk dat al dit sociale werk zonder het in werking zetten van de geestelijke krachten, waarvoor de theosofie de sleutel levert, onvruchtbaar is. Zij sprak in haar toespraak over “Theosofie en sociale kwesties” op het theosofencongres in Chicago 1892 de betekenisvolle woorden: “Ik, die mij zoveel jaren van mijn leven met sociale kwesties op materieel gebied bezig heb gehouden, die zo veel tijd en nadenken heeft gewijd aan het streven een remedie te vinden voor de sociale misstanden van de mensheid; ik beschouw het als mijn plicht…te zeggen dat een enkel uur spirituele energie, gewijd aan het wel en wee van de mensen, honderd maal meer vruchten draagt dan een jaar werk in de materiële wereld.”

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 – GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis» (bladzijde 435 -436)

Eerder geplaatst op 8 februari 2016

Antroposofie en socialisme (7 van 11) – Het is begrijpelijk dat men juist in socialistische kringen van hogere werelden niets wil weten, omdat men niet eens een flauw idee van het bestaan daarvan heeft

Niemand kan de uiterlijke handelingen van de mensen begrijpen die niet de geestelijke wetten leert kennen, die eraan ten grondslag liggen. De persoonlijkheden die tegenwoordig de sociale toestanden willen genezen, zouden vóór alle dingen iets over de oorzaken van deze toestanden moeten leren. En deze oorzaken liggen in de diepten van de menselijke natuur. Wat de antroposofie als de psychische (astrale) en geestelijke wereld onthult, bevat de wetten van het menselijk leven, zoals de elektriciteitsleer de wetten voor de elektromotor bevat. Het is begrijpelijk dat men juist in socialistische kringen van deze hogere werelden niets wil weten, omdat men niet eens een flauw idee van het bestaan daarvan heeft.

Maar zolang men niet bereid is in te gaan op deze hogere werelden, zal alle sociale arbeid tot onmacht veroordeeld zijn. Degenen die zowel van spirituele zaken als van sociale verhoudingen wat begrijpen, weten dat. Annie Besant, de ziel van de theosofische vereniging in het heden, stond jarenlang midden in sociale hervormingen, waarin zij een voorbeeldige en belangrijke activiteit ontwikkelde. Toen zij de opvattingen van de theosofie haar eigengemaakt had, werd het haar duidelijk dat al dit sociale werk zonder het in werking zetten van de geestelijke krachten, waarvoor de theosofie de sleutel levert, onvruchtbaar is. Zij sprak in haar toespraak over “Theosofie en sociale kwesties” op het theosofencongres in Chicago 1892 de betekenisvolle woorden: “Ik, die mij zoveel jaren van mijn leven met sociale kwesties op materieel gebied bezig heb gehouden, die zo veel tijd en nadenken heeft gewijd aan het streven een remedie te vinden voor de sociale misstanden van de mensheid; ik beschouw het als mijn plicht…te zeggen dat een enkel uur spirituele energie, gewijd aan het wel en wee van de mensen, honderd maal meer vruchten draagt dan een jaar werk in de materiële wereld.”

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 034 –  GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 435 -436)

Eerder geplaatst op 18 oktober 2011

Korte fragmenten uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner (5) – Over de beschuldiging dat Steiner de Theosofische Vereniging gebruikte als springplank voor zijn geesteswetenschap

Onder de vele beschuldigingen die men tegen mij heeft gericht in verband met mijn werken in de Theosofische Vereniging – ook van de kant van de vereniging zelf – wordt ook deze gehanteerd, dat ik in zekere zin deze vereniging, die in de wereld iets betekende, als springplank had gebruikt om de wegen te effenen voor mijn eigen geesteswetenschap.

Daarvan is in de verste verte geen sprake. Toen ik de uitnodiging van de vereniging aannam, was dit de enig ernstig te nemen instelling waarin werkelijk geestelijk leven heerste. En als de gezindheid, de houding en het werken van de vereniging dezelfde waren gebleven, dan zou het uittreden van mij en mijn vrienden nooit nodig zijn geweest. Dan zou er alleen maar binnen de Theosofische Vereniging de speciale afdeling ‘Antroposofische Vereniging’ officieel zijn opgericht.

Maar van 1906 af traden er in de theosofische Vereniging toestanden op die op schrikbarende wijze het verval toonden.

Hoewel ook vroeger al, in de tijd van H.P. Blavatsky, door de buitenwereld beweerd werd dat dergelijke toestanden bestonden, moet er toch gezegd worden dat de vereniging in het begin van de eeuw door het serieuze werk goed had gemaakt wat er aan fouten was begaan. Dit werd ten onrechte in twijfel getrokken.

Maar sinds 1906 kwamen er in de vereniging – terwijl ik niet de minste invloed had op de leiding – activiteiten voor die herinnerden aan de uitwassen van het spiritisme, en die het noodzakelijk maakten dat ik er steeds meer de nadruk op legde dat dát deel van de vereniging dat onder mijn leiding stond met deze dingen absoluut niets te maken had. Deze activiteiten bereikten hun hoogtepunt toen van een jeugdige hindoe (Krishnamurti r.v.d.) beweerd werd dat hij de persoonlijkheid was waarin Jezus Christus in een nieuw aardeleven zou optreden. Voor de verbreiding van deze absurditeit werd binnen de theosofische beweging een apart genootschap opgericht onder de naam Ster van het Oosten. Voor mij en mijn vrienden was het volslagen onmogelijk om de leden van deze Ster van het Oosten als lid in de Duitse sectie op te nemen, hetgeen zij wilden, en wat vooral de bedoeling was van Annie Besant, de presidente van het theosofische genootschap. En omdat wij dat niet konden doen, stootte men ons in 1913 uit de Theosofische Vereniging. Wij werden genoodzaakt om de Antroposofische Vereniging als een zelfstandig orgaan te stichten.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 287-288 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven)

Duitstalig: GA 28Mein Lebensgang

Rudolf Steiner – Antroposofie en socialisme (7) – Het is begrijpelijk dat men juist in socialistische kringen van hogere werelden niets wil weten, omdat men niet eens een flauw idee van het bestaan daarvan heeft.

Niemand kan de uiterlijke handelingen van de mensen begrijpen die niet de geestelijke wetten leert kennen, die eraan ten grondslag liggen. De persoonlijkheden die tegenwoordig de sociale toestanden willen genezen, zouden vóór alle dingen iets over de oorzaken van deze toestanden moeten leren. En deze oorzaken liggen in de diepten van de menselijke natuur. Wat de antroposofie als de psychische (astrale) en geestelijke wereld onthult, bevat de wetten van het menselijk leven, zoals de elektriciteitsleer de wetten voor de elektromotor bevat. Het is begrijpelijk dat men juist in socialistische kringen van deze hogere werelden niets wil weten, omdat men niet eens een flauw idee van het bestaan daarvan heeft.

Maar zolang men niet bereid is in te gaan op deze hogere werelden, zal alle sociale arbeid tot onmacht veroordeeld zijn. Degenen die zowel van spirituele zaken als van sociale verhoudingen wat begrijpen, weten dat. Annie Besant, de ziel van de theosofische vereniging in het heden, stond jarenlang midden in sociale hervormingen, waarin zij een voorbeeldige en belangrijke activiteit ontwikkelde. Toen zij de opvattingen van de theosofie haar eigengemaakt had, werd het haar duidelijk dat al dit sociale werk zonder het in werking zetten van de geestelijke krachten, waarvoor de theosofie de sleutel levert, onvruchtbaar is. Zij sprak in haar toespraak over “Theosofie en sociale kwesties” op het theosofencongres in Chicago 1892 de betekenisvolle woorden: “Ik, die mij zoveel jaren van mijn leven met sociale kwesties op materieel gebied bezig heb gehouden, die zo veel tijd en nadenken heb gewijd aan het streven een remedie te vinden voor de sociale misstanden van de mensheid; ik beschouw het als mijn plicht…te zeggen dat een enkel uur spirituele energie, gewijd aan het wel en wee van de mensen, honderd maal meer vruchten draagt dan een jaar werk in de materiële wereld.”

Wordt vervolgd

Bron: GA 034 GRUNDLEGENDE AUFSÄTZE ZUR ANTHROPOSOPHIE UND BERICHTE aus den Zeitschriften «Luzifer» und «Lucifer – Gnosis»  (bladzijde 435 -436)