De jas – Anekdote door Leen Mees

Het speelde zich af in Hilversum, bij de ingang van de zaal waar Rudolf Steiner een voordracht zou houden. Er werd gecontroleerd door de heer Kraan, die ik (zelf Hilversummer zijnde) al jarenlang kende, een zeer gemoedelijke, rustige persoon.

Onder de mensen die binnenkwamen was een man die een lange overjas aan had. Kraan hield hem tegen en verzocht hem zijn jas in de garderobe af te geven. Daarop zei de man dat hij dat niet kon doen, omdat hij onder zijn jas slechts zijn overhemd droeg. Hij was zelfs niet in het bezit van een colbertjasje. De heer Kraan antwoordde dat het hem oprecht speet, maar dat hij in dit geval toch geen uitzondering kon maken. ‘Ik heb mijn instructies’, zei hij verontschuldigend.

Achter hem stond Steiner, die toen tegen de heer Kraan even rustig en vriendelijk zei: ‘Ich würde diesen Herrn doch hereinlassen, denn wenn Sie ihn nicht hereinlassen, werde ich meinen Vortrag nicht halten.’ (‘Ik zou deze heer maar binnenlaten, want als u hem niet erin laat, houd ik mijn voordracht niet.’)

Men voelt wel dat dit volkomen ernstig bedoeld was door Rudolf Steiner. Dat de heer Kraan dit onmiddellijk erkende en er ook naar handelde, is te begrijpen.

Bron: Rudolf Steiner in Nederland – Uitgeverij Pentagon 1994 (bladzijde 89)

P.S. Hoewel ik over het algemeen geen verkeerd woord over Steiner kan horen, moet ik zeggen dat het mij toch wat vreemd voorkomt, dat Steiner het op zo’n dwingende manier zei. Waarom meteen ‘dreigen’ dat hij anders zijn voordracht niet zou houden? Hij had toch ook gewoon kunnen zeggen: ‘Laat die man binnen, wat kan het nou schelen dat hij geen colbertjasje aan heeft.’ En de opmerking van Leen Mees, dat ‘de heer Kraan dit onmiddellijk erkende en er ook naar handelde, is te begrijpen’, vind ik ook wat eigenaardig. Natuurlijk handelde Kraan er onmiddellijk naar, want hij had geen andere keus meer, hij werd plat gezegd ‘met de kloten voor het blok’ gezet.

Eerder geplaatst op 31 maart 2012.

Een echtscheiding – Anekdote door Adelheid Petersen

Rond die tijd (1914-1915) vertoefde er in Dornach een jonge vrouw die in zwaar conflict met haar echtgenoot leefde en van hem wilde scheiden. Rudolf Steiner ontfermde zich over haar met oneindige goedheid en geduld. Langzamerhand kwam zij tot een innerlijk evenwicht en schreef haar man dat ze bij hem wilde terugkeren. Nu echter wees deze haar af op een koele, ongenaakbare toon. Vertwijfeld kwam ze met die brief bij Rudolf Steiner. “Jaa”, sprak deze,”ziet u, dat is nu eenmaal het resultaat van al die verwijtende, boze, onvriendelijke brieven die ú hem geschreven hebt.” – “Maar Herr Doktor”, riep zij uit,”ik heb die brieven toch niet verstuurd ! Ik heb ze altijd vernietigd. Ik schreef ze alleen maar om mij op te luchten !” – “Ja”, antwoordde Rudolf Steiner, “maar zijn ziel heeft ze allemaal ontvangen.” 

Bron: Adelheid Petersen – Erinnerungen an Rudolf Steiner – Hoofdstuk Dornach in de jaren 1914-1915

Overgenomen uit Tijdschrift De Brug – Trefwoord Anecdotes – AN

Eerder geplaatst op 7 maart 2012.

Anekdote over Steiner, verteld door Heinz Müller

Heinz Müller vertelt in zijn boek “Spuren auf dem weg” (p. 37) de volgende anekdote: ( Hij was toen deelnemer aan een spraakcursus).

Tot mijn grote vreugde werd ik door Rudolf Steiner uitgenodigd om hem op een namiddag in het atelier te bezoeken. Vóór het zover was deed er zich een merkwaardige gebeurtenis voor. Zoals iedere voormiddag begroette Rudolf Steiner alle deelnemers aan de spraakcursus door hen ieder afzonderlijk een hand te geven, en rond half één nam hij op dezelfde manier afscheid. Zoals gewoonlijk ging ik die dag bij het begin van de middagpauze aan het Goetheanum voorbij om de post af te halen. Toen ik terug kwam ontmoette ik Rudolf Steiner die juist naar het atelier ging. Ik wilde voorbijlopen al groetend, maar de Doktor- zoals men hem toentertijd dikwijls noemde- reikte mij onmiddellijk weer de hand. Hetzelfde gebeurde toen ik na het middageten terug naar boven ging naar een klein archief waar ik onuitgegeven voordrachten mocht lezen. Ik kwam Rudolf Steiner tegen en opnieuw reikte hij mij de hand. Na enkele uren ging ik de heuvel naar beneden, voorbij het glashuis; aan de andere kant van de weg kwam Rudolf Steiner de heuvel opgegaan. Ik wilde, met een groet natuurlijk, aan hem voorbijgaan, maar hij kwam naar mijn kant en reikte mij voor de vijfde maal de hand. Daarbij merkte hij glimlachend op:” U zult het niet geloven, maar ik weet wel dat wij mekaar reeds voor de vijfde keer de hand reiken.- U was er gisteren toch bij, bij de rondleiding in het Goetheanum, en U hebt gehoord dat een buitenlandse architect zich afvroeg waarom wij de ingang zo gebouwd hebben dat diegenen die binnenkomen en hun kleren willen weghangen, opbotsen tegen diegenen die de vestiaire al verlaten. Normaal gezien vermijdt men zulke tegenbewegingen. Ja, ziet U, onder antroposofen moet dat anders zijn. Die moet men gelegenheid geven om mekaar zo vaak mogelijk te ontmoeten. Daarom zijn bij ons ook de trappen zo, dat zij die boven aankomen, van twee kanten op mekaar toelopen. De ene groep gaat al wat trager dan de andere, en zo hebben terug andere mensen de gelegenheid om elkaar te begroeten.” Glimlachend voegde hij eraan toe:” Antroposofen moeten nu eenmaal elkaar veel begroeten! “, en als afscheid reikte hij mij opnieuw de hand…

Overgenomen uit Tijdschrift De Brug – Trefwoord Anekdotes – AN

De enige verstandige onder die idiote vegetariërs

In een stad (Kassel?) hield Rudolf Steiner enkele voordrachten, waarvan er een ’s morgens was. De tweede voordracht zou in de middag volgen. Zo kwam de vraag op of men zonder te lang oponthoud een middagmaaltijd zou kunnen gebruiken, en men stelde voor een in de buurt liggend klein restaurant te bezoeken, waar heel goed gekookt werd. Ongeveer twintig deelnemers gingen er op de gegeven tijd naar toe.

Een vooruitbestelling was niet gedaan, en zo kwamen twintig of meer personen met Rudolf Steiner samen onverwachts in het naar verhouding kleine restaurant. Ze vonden weliswaar een plaats, maar er was maar één kelner. En nu ontstond het probleem.

In Steiners tegenwoordigheid waren velen van mening, dat men zijn positieve gezindheid of overtuiging moest bewijzen door een vegetarische maaltijd. Maar zoals dat voor het jaar 1914 gebruikelijk was, waren in dit op ‘vaste klanten’ ingestelde lokaal alleen vleesgerechten.

Men stelle zich de situatie duidelijk voor: ‘Heeft u geen macaroni of spaghetti? Geen groentegerecht? Geen slaschotel? Ja, niet eens aardappelpannenkoeken met bosbessen? Of spinazie met gebakken aardappelen? Of een visgerecht? Een kwarkgerecht? Of..?

Na korte tijd rezen de haren de kelner ten berge en het zweet stond op zijn voorhoofd. Van louter zenuwen was hij nauwelijks nog in staat zijn beleefdheid te bewaren. Zo kwam hij ook bij Rudolf Steiner en vroeg hem naar zijn wensen. Deze keek hem vriendelijk en rustig aan en zei: ‘Brengt u mij de dagschotel, alstublieft.’ En dat was Duitse biefstuk!

Toen het eten afgelopen was en de gasten het lokaal verlieten, hoorde een van de laatsten de diepe verzuchting van de kelner tot de waard: ‘De enige verstandige tussen al die idiote vegetariërs was die slanke, donkere heer in die lange jas!’

Bron: Sie Mensch von einem Menschen! Rudolf Steiner in Anekdoten door Wolfgang G. Vögele (bladzijde 76-77)

Woede

De woede is iets wat de mens in eerste instantie geheel niet in de hand heeft. Slechts beetje bij beetje kan men zich het woedend worden afwennen. Dat kan alleen langzaam gaan en de mens moet geduld met zichzelf hebben. Als men gelooft dit in een handomdraai voor elkaar te kunnen krijgen, dan moet ik de anekdote herhalen van een leraar die het er bijzonder veel aan gelegen was om bij zijn schoolkinderen de boosheid uit te drijven. En toen hij na voortdurende pogingen in dit opzicht het beleefde dat een jongen toch woedend werd, hij zelf zo kwaad werd dat hij het kind de inktpot naar het hoofd gooide.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Leipzig 5 november 1911 (bladzijde 128)