De wereld van de geest (2-slot)

Nu is weliswaar de eerste indruk van de wereld van de geest nog verwarrender dan die van de zielenwereld. Want de oerbeelden, in hun ware gedaante, lijken in het geheel niet op hun zintuiglijke nabootsingen. Evenmin vertonen ze gelijkenis met hun schaduwen, de abstracte gedachten. In de geestelijke wereld verkeert alles in voortdurende beweeglijke activiteit, in een toestand van onafgebroken scheppende werkzaamheid. Een moment van rust, de mogelijkheid op een bepaalde plaats en tijd te verblijven, zoals in de fysieke wereld mogelijk is, bestaat daar niet. Want de oerbeelden zijn scheppende wezens. Ze zijn de ontwerpers van alles wat ontstaat in de stoffelijke wereld en in de wereld van de ziel. Hun vormen wisselen snel en in ieder oerbeeld ligt de mogelijkheid om ontelbare speciale gestalten aan te nemen. Zij laten deze als het ware uit zich voortkomen en nauwelijks is er een ontstaan, of het oerbeeld gaat ertoe over een volgende voort te brengen. En verder staan de oerbeelden onderling in min of meer nauwe verwantschap. Hun arbeid staat niet op zichzelf. Het ene heeft bij zijn scheppend werk de hulp van het andere nodig. Het is vaak zo dat talloze oerbeelden samenwerken om in de zielenwereld of in de stoffelijke wereld een of ander wezen te doen ontstaan.

Bron: Rudolf Steiner – Theosofie in de vertaling van H.G.J. de Leeuw (bladzijde 115-116)

Duitstalig: GA 9 – Thesosophie (bladzijde 55)

Eerder geplaatst op 11 augustus 2012

Jammerlijke abstractie

De gedachte zal meer en meer als een werkelijke zielskracht erkend moeten worden, niet als de jammerlijke abstractie zoals de laatste tijd hem ontwikkeld heeft en bovendien zo trots op is. In oudere tijden waren de mensen door een oud erfgoed nog met de spirituele wereld verbonden. Hoewel ook de atavistische helderziendheid naar verhouding al sinds vele eeuwen teruggelopen is, leefde in het voelen en willen nog dit erfgoed.

Maar nu is de tijd waarbij het bewustzijn steeds meer en meer als een werkelijke macht optreden moet, waardoor ook de geesten van de weerstand, de geesten der duisternis in onze tijd aanstormen om tegenover de reële gedachten de abstracte gedachten in de vorm van alle mogelijke wereldprogramma’s te zetten. Deze samenhang moet men doorzien. De gedachte moet steeds werkelijker en werkelijker worden. Dat moet door de mensen begrepen worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 178 – Individuelle Geistwesen und ihr Wirken in der Seele des Menschen – Zürich, 13 november 1917 (bladzijde 111)

Eerder geplaatst op 16 februari 2016

Een venster voor de doden

Het is, bijvoorbeeld, een wezenlijk te hulp komen tegenover de doden, als we in alle levendigheid aan ze denken, als we vooral zulke gedachten naar de doden zenden, welke in zeer aanschouwelijke vorm weergeven wat we met de doden beleefd hebben. Abstracte gedachten begrijpen de doden niet. Als ik echter de voorstelling denk: Daar was de straat tussen Kristiana en een naburige plaats; daar liepen wij. De andere mens, die nu gestorven is, die liep naast mij. Ik hoor nu nog, hoe hij toen sprak. De klank van zijn stem hoor ik. Ik probeer nu voor me te zien, wat voor bewegingen hij met de armen maakte, wat voor bewegingen hij met het hoofd maakte.

Als men zich dat zo heel objectief levendig voorstelt, wat men met de dode samen heeft beleefd, en dan deze gedachten naar de dode stuurt, die men in een gemeenschappelijk (Duits: geläufigen) beeld voor de ziel haalt, dan zweeft of stroomt zo’n gedachte als het ware naar de dode toe. En de dode ervaart dit als een raam waardoor hij in de wereld kan kijken. Bij de dode komt niet alleen op, wat we aan gedachten tot hem richten, maar een hele wereld komt er bij hem op. Het is als een venster waardoor hij in onze wereld kan zien.

Bron: Rudolf Steiner – GA 226 – Menschenwesen Menschenschicksal und Welt-Entwickelung – Kristiana (Oslo), 17 mei 1923 (bladzijde 29)

De wereld van de geest (2-slot)

Nu is weliswaar de eerste indruk van de wereld van de geest nog verwarrender dan die van de zielewereld. Want de oerbeelden, in hun ware gedaante, lijken in het geheel niet op hun zintuiglijke nabootsingen. Evenmin vertonen ze gelijkenis met hun schaduwen, de abstracte gedachten. In de geestelijke wereld verkeert alles in voortdurende beweeglijke activiteit, in een toestand van onafgebroken scheppende werkzaamheid. Een moment van rust, de mogelijkheid op een bepaalde plaats en tijd te verblijven, zoals in de fysieke wereld mogelijk is, bestaat daar niet. Want de oerbeelden zijn scheppende wezens. Ze zijn de ontwerpers van alles wat ontstaat in de stoffelijke wereld en in de wereld van de ziel. Hun vormen wisselen snel en in ieder oerbeeld ligt de mogelijkheid om ontelbare speciale gestalten aan te nemen. Zij laten deze als het ware uit zich voortkomen en nauwelijks is er een ontstaan, of het oerbeeld gaat ertoe over een volgende voort te brengen. En verder staan de oerbeelden onderling in min of meer nauwe verwantschap. Hun arbeid staat niet op zichzelf. Het ene heeft bij zijn scheppend werk de hulp van het andere nodig. Het is vaak zo dat talloze oerbeelden samenwerken om in de zielewereld of in de stoffelijke wereld een of ander wezen te doen ontstaan.

Bron: Rudolf Steiner – Theosofie in de vertaling van H.G.J. de Leeuw (bladzijde 115-116) – GA 9 (bladzijde 55)