Als het leven op aarde niet doorgemaakt zou zijn, dan zouden we ook in de geestelijke wereld geen relaties met menselijke zielen kunnen aanknopen 

Tussen de dood en een nieuwe geboorte – en dit begint direct na de dood of kort daarna – kan de dode eigenlijk alleen relaties, verhoudingen aangaan, met die menselijke zielen – ongeacht of ze hier op aarde zijn of al in de geestelijke wereld – met wie hij al op de een of andere manier op aarde in de laatste of vroegere incarnaties karmisch verbonden was. De andere zielen gaan aan hem voorbij, die merkt hij niet op. […]

Denkt u niet dat het een heel klein aantal mensen is, want er zijn al vele aardse levens verstreken voor de individuele mensen. In elk leven op aarde zijn veel karmische relaties opgebouwd; daaruit is het web gesponnen dat zich dan daar uitbreidt over onze bekende mensen. Buiten de cirkel blijven alleen de mensen met wie men nooit kennis heeft gemaakt. 

Hieruit kunt u zien hoe belangrijk is om in het oog te houden: Dat het aardse leven in het hele universum de allerdiepste betekenis heeft voor de mensen. Als het leven op aarde niet doorgemaakt zou zijn, dan zouden we ook in de geestelijke wereld geen relaties met menselijke zielen kunnen aanknopen. De relaties worden hier op aarde karmisch aangeknoopt en gaan dan verder tussen de dood en een nieuwe geboorte. Wie in staat is om in deze wereld waar te nemen, kan zien hoe beetje bij beetje de zogenaamde dode steeds meer verbindingen aangaat, die alle verbindingen zijn welke zijn voortgekomen uit wat hij hier op aarde karmisch heeft aangeknoopt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 182 – Der  Tod als  Lebenswandlung – Nürnberg, 10 februari 1918 (bladzijde 40-41)

Weten en gevoel voor het leven tussen dood en nieuwe geboorte

Het is werkelijk even noodzakelijk dat de mens een weten, een gewaarwording en een gevoel heeft voor het leven tussen dood en nieuwe geboorte als voor het aardse leven zelf, omdat, wanneer hij dit aardse leven intreedt, gezondheid, vertrouwen, kracht en hoop in dit leven afhangen van welke krachten hij meebrengt uit het leven tussen de laatste dood en de huidige geboorte.

Welke krachten wij daar echter verkrijgen kunnen, dat hangt er weer vanaf hoe we ons in de vroegere incarnatie gedragen hebben; wat voor een morele instelling, wat voor een religieuze gezindheid of wat voor een algemene menselijke zielenhouding we ons eigengemaakt hebben. Zo kunnen we ons indenken, dat we met het bovenzinnelijke, waarin we leven tussen dood en nieuwe geboorte, scheppend meewerken hetzij aan de voortgaande ontwikkeling van de gehele mensheid dan wel aan de verwoesting van de mensheid.

Bron: Rudolf Steiner – GA 141 – Das Leben zwischen dem Tode und der neuen Geburt im Verhältnis zu den kosmischen Tatsachen – Berlijn, 20 november 1912 (bladzijde 53)

De eigenschappen die een mens slecht kunnen maken, moet hij hebben…

Doordat de mens het geestelijke verkeerd in het fysiek-zintuiglijke gebruikt, leidt het tot het kwaad. En zou de mens niet slecht kunnen worden, dan zou hij nooit een geestelijk wezen kunnen zijn. Want de eigenschappen die hem slecht kunnen maken, moet hij hebben; anders zou hij nooit in de geestelijke wereld kunnen komen. De volkomenheid bestaat erin dat de mens leert zich innerlijk te doordringen van het inzicht: Je mag de eigenschappen die je in het aardse leven tot een slecht mens maken, niet in dit aardse leven aanwenden; want zo veel je daarvan gebruikt, zo veel beroof je jezelf van de versterkende eigenschappen van de ziel voor het spirituele, zo veel verzwak je jezelf voor de geestelijke wereld. Daar zijn deze eigenschappen op de juiste plaats.

Bron: Rudolf Steiner – GA 63 – Berlijn 15 januari 1914 (bladzijde 247-248)