Deze wonderbaarlijke bouw van het menselijk lichaam

Het hele lichamelijk organisme van de mens, deze wonderbaarlijke bouw van het fysieke lichaam met al zijn organen, de botten, de zenuwen, het endocriene (klieren) systeem, de bloedsomloop, zou nooit tot stand zijn gekomen als niet geestelijke wezens de hele wereldontwikkeling door aan de mensen gewerkt hadden. Ook nu nog werken geestelijke wezens voortdurend aan hem.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a – Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – München, 1 juni 1907 (bladzijde 222)

719NWRhnHzL._AC_SY606_

Eerder geplaatst op 6 augustus 2018

Nood, ellende en leed zijn niets anders dan een gevolg van het egoïsme (6 – slot)

Stel u voor dat iemand een geneesmiddel zou uitvinden en er meteen patent op zou aanvragen. Wat laat hij daarmee zien? Hij toont daarmee dat hij meteen aan eigenbelang denkt en helemaal niet door liefde tot deze schepping van het geneesmiddel geleid werd, dat hij helemaal niet van liefde voor de hele mensheid vervuld is. Want als de gezondheid van de mensen voor hem het belangrijkste zou zijn, dan zou hij blij zijn als ook anderen het geneesmiddel zouden produceren om de mensheid te dienen. Ja, hij zou er juist op gebrand zijn dat bekend zou worden wat voor ingrediënten het medicijn bevat en hoe het geproduceerd wordt. En nog wat anders zou optreden: dat hij overtuigd zou zijn dat zijn geneesmiddel, met zijn gezindheid tot stand gebracht, het betere middel is.

En hier hebben wij een belangrijke zin bereikt, die in de geesteswetenschap een grote rol speelt: Er moeten middelen worden gegeven waardoor de ziel veredeld wordt. Wie het denken aanwendt om een heilzame vooruitgang te bereiken, die moet voor alles de kracht van het denken erop richten dat de mensenzielen veredeld worden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a –Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Hamburg, 3 maart 1906 (bladzijde 130)

Eerder geplaatst op 5 augustus 2018

Nood, ellende en leed zijn niets anders dan een gevolg van het egoïsme (5 van 6)

De tegenhanger van dit sociaal denken moet nu ook nauwkeurig nagegaan worden. U kent het voorbeeld van een naaister die voor een laag loon werkt en dat de sociaaldemocratie op haar inpraat: jullie worden uitgebuit! Nu gaat echter de naaister naar een winkel en koopt een goedkope jurk om op zondag te gaan dansen. Zij verlangt naar een goedkope jurk. Waarom is die jurk echter goedkoop? Omdat een andere werknemer uitgebuit werd. Wie buit uiteindelijk die arbeidskracht uit? Zeer zeker de naaister die bij het dansen op zondag die goedkope jurk draagt. Wie hier helder denkt, is reeds los van het onderscheid tussen rijk en arm, want uitbuiting heeft met rijkdom en armoede geheel niets van doen. Er moeten daarom eerst beweegredenen in het leven worden geroepen, opdat in de toekomst de mensen vlijtig en toegewijd werken zonder aan het eigenbelang te denken.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a –Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Hamburg, 3 maart 1906 (bladzijde 129)

Eerder geplaatst op 4 augustus 2018  (11 reacties)

Nood, ellende en leed zijn niets anders dan een gevolg van het egoïsme (4 van 6)

Zolang de sociaaldemocratie de werkende klasse aanzet tot het idee, dat de mens aanspraak moet maken op de volle opbrengst van zijn arbeid, zo lang zal de mensheid in slechtere en slechtere toestanden terechtkomen. De geesteswetenschap moet het omgekeerde ontwikkelen vanuit het denken en voelen: De mens mag niets voor zichzelf willen van zijn arbeid. De mens is de sociale gemeenschap arbeid verschuldigd. De mens moet omgekeerd zijn levensonderhoud beperken tot wat de sociale gemeenschap hem schenkt.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a –Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Hamburg, 3 maart 1906 (bladzijde 129)

Eerder geplaatst op 3 augustus 2018

Nood, ellende en leed zijn niets anders dan een gevolg van het egoïsme (3 van 6)

En hiermee komen wij bij de oude zin uit de geesteswetenschap: In een sociale samenleving moet de beweegreden voor arbeid nooit in de eigen persoonlijkheid van de mensen liggen, maar enkel en alleen in de toewijding aan het geheel. Daaruit volgt dat ware sociale vooruitgang alleen mogelijk is, als ik wat ik door mijn werk tot stand breng in dienst van het geheel doe. Met andere woorden: Mijn arbeid mag niet mijzelf dienen. Van de erkenning van dit beginsel, dat iemand de opbrengst van zijn arbeid niet in de vorm van een persoonlijke beloning wil hebben, hangt alleen de sociale vooruitgang af.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 266a –Aus den Inhalten der esoterischen Stunden – Hamburg, 3 maart 1906 (bladzijde 129)

Eerder geplaatst op 2 augustus 2018  (1 reactie)