Decadentia, immorale, multi phyl ti corti rocci; influenza filmi i cinema bestiale

Antroposofie is er niet om louter aan onze nieuwsgierigheid te voldoen. Niet omdat wij met betrekking tot de bovenzinnelijke wereld enkel nieuwsgieriger zijn dan andere mensen, zitten wij hier samen, maar omdat wij in meerdere of mindere mate vermoeden, dat de mensen in de toekomst geheel niet zullen kunnen leven zonder de spirituele wetenschap. Alle andere aspiraties (Duits: Bestrebungen), die geen rekening houden met dit feit, gaan de decadentie tegemoet.

Bron: Rudolf Steiner – GA 143 – Erfahrungen des Übersinnlichen/Die drei Wege der Seele zu Christus – Zürich 3 februari 1912 (bladzijde 75)

P.S. De titel is een zin uit het gedicht De blijde boodschap van Gerard Reve.

Met het opnemen in de vorm van gedachtengangen staat men reeds in de geestelijke wereld

Men stelt zich het binnentreden in de geestelijke wereld veel te veel voor in de trant van een zintuiglijke ervaring, en daarom vindt men, dat wat men bij het lezen over die wereld beleeft, veel te veel op gedachtengangen lijkt. Maar met het ware opnemen in de vorm van gedachtengangen staat men reeds in de geestelijke wereld en heeft men zich nog slechts duidelijk te maken, dat men reeds ongemerkt beleefd heeft, wat men enkel als gedachtenmededeling meende ontvangen te hebben.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS – bladzijde 49-50

Deze vertaling is van F. Wilmar uit de vierde druk van de Nederlandstalige uitgave – bladzijde 33

De ware geest is de praktische geest

Wanneer heeft men het recht om over de geest te spreken? Wanneer spreekt men in waarheid over de geest? Alleen dan, wanneer men de geest ziet als schepper van de materie. Men spreekt op de verwerpelijkste wijze over de geest – hoewel dat tegenwoordig vaak als de mooiste weergave wordt gezien – als men hem in een droomwereld plaatst en er zo over spreekt, dat de geest in het geheel niet wordt aangeraakt door de materie. Nee, men moet zo over de geest spreken, dat deze de kracht heeft op directe wijze onder te duiken in de materie. En als men over geesteswetenschap spreekt dan mag men zich niet indenken, dat deze zich boven de natuur verheft, maar men moet haar tegelijkertijd als een volwaardige natuurwetenschap zien.

Als men over de geest spreekt dan moet men het over de geest hebben, waarmee de mens zich kan verbinden, zodat deze ook door middel van de mens in het sociale leven kan werken. Een geest waarover men alleen maar in de salon spreekt, die men door goed te zijn en door broederliefde te bewijzen welgevallig wil zijn, maar die er wel voor oppast om in het directe leven onder te duiken, is niet de ware geest. Men heeft dan te maken met een menselijke abstractie en men verheft zich niet tot de werkelijke geest, maar tot het laatste uitvloeisel van het materialisme.

Bron: Rudolf Steiner – Michaël – GA194 – Dornach, 12 december 1919 (bladzijde 160-161)

Simon Carmiggelt – Een goed mens (gedicht)

Als knaap was Karel bij de welpen.
In ’t honk zei de akela: ‘Kleine krullenkop!’
Hij ruimde altijd al zijn rommel op
en thuis ging hij dan ook nog moeder helpen.

Zo groeit men op tot een rechtschapen man
en wordt getrouwd door een gespierde Lien.
Zij was niet helemaal zijn smaak misschien,
maar och, er kwamen zeven kinders van.

Des zondags liep hij met de kerkenzak.
Des maandags liep hij met de aktetas
en meende lang dat dit het leven was.
Pas na zijn veertigste werd hij wat zwak.

Hij dacht: Ik ben altijd zo goed geweest,
een stille man met stille visgraatpakken.
De braafheid zit op mijn gezicht gebakken,
maar diep vanbinnen voel ik me een beest.

Ik wil eens rumba dansen op mijn hoed
of onze dienstmaagd vatten om de leest.
Haar kussen, ja, dat wil het beest
en alles doen wat men dan doet.

En uit de kerkenzak wilde hij jatten
om het met sloeries te verbrassen
en lekker nooit meer op de kinders passen,
ze laten staan met ongeveegde gatten.

Maar, och, ook daar kon Gods constructie tegen.
Hij wiep het beest in Karel plichten voor.
Lien moest naar bed met een ontstoken oor
en moe had van de week geen AOW gekregen…

En Keesje had weer uit zijn neus gebloed.
‘O, Karel, ga eens gauw de huur betalen.’
Hij wou wel slecht maar kon het niet meer halen.
’t Was gauw te laat. Hij bleef voor eeuwig goed.

Maar op zijn sterfbed heeft hij nog gezeid:
‘Ik was een beest, Lien. Maar ik had geen tijd.’

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
uit “Fabriekswater” (1956) van S.Carmiggelt (1913-1987)

Simon Carmiggelt (foto: Chris van Houts)