Rudolf Steiner/Gabriele Reuter

In het boek Rudolf Steiner Brieven staat een nawoord van Walter Kugler (1948). Hij is bepaald niet de eerste de beste. Hij studeerde filosofie, pedagogie, politicologie en muziek en hij was na zijn promotie docent aan de universiteit in Keulen. Sinds 1982 werkt hij bij het Rudolf Steiner Archiv in Dornach, Zwitserland, dat het volledige werk van Steiner uitgeeft en waarvan hij thans directeur is. Daarnaast organiseert hij talrijke Steiner-tentoonstellingen in musea over heel de wereld. Op zijn naam staan vele publicaties waaronder zijn monografie Rudolf Steiner und die Anthroposophie.

Zijn nawoord is voortreffelijk, maar het is mij een raadsel waarom hij in het slot van dit nawoord een citaat aanhaalt van schrijfster Gabriele Reuter (1859-1941). Kugler schrijft het volgende: “Veel mensen hebben Rudolf Steiner gekend, maar hoevelen hebben ook werkelijk gezien wie hij was en wat hij wilde? In Weimar heeft Rudolf Steiner verschillende keren intensieve gesprekken gevoerd met de schrijfster Gabriele Reuter. Later hebben zij elkaar nooit meer ontmoet. In Vom Kinde zum Menschen, haar in 1921 verschenen memoires, schrijft ze over die ontmoetingen het volgende: ‘Over de antroposofie mag men denken wat men wil, en men kan er vele bezwaren tegen in brengen –maar één verdienste moet men Rudolf Steiner nageven: hij heeft honderden mensen uit een hopeloze leegte gered en hun leven met geestelijke inhoud verrijkt – hij heeft door middel van de geesteswetenschap hun ziel nieuw leven ingeblazen.’  En hoe concreet deze uitspraak bedoeld is, kan uit de hier vertaalde brieven duidelijk worden.”

Tot zover Walter Kugler. Het lijkt wel of hij van harte instemt met de woorden van  Gabriele Reuter en dat hij haar ziet als iemand die werkelijk gezien heeft wie Steiner was en wat hij wilde. Het lijkt ook wel heel lovend: Rudolf Steiner die honderden mensen hun leven heeft verrijkt. Maar in feite is het een heel denigrerende uitspraak. Want eigenlijk staat er: ‘Ik zie die antroposofie niet zitten, eigenlijk vind ik het maar grote onzin, maar het is evengoed wel mooi dat Steiner honderden stumpers uit een hopeloze leegte gered heeft.’

Ten eerste zijn het er niet honderden, maar honderdduizenden, zo niet miljoenen lezers, die Steiners werk in hoge mate waarderen en er achter staan.

Ten tweede is het ‘hun leven verrijken met geestelijke inhoud’ lang niet de enige verdienste van zijn werk. Ik beschouw het als één van de grootste verdiensten van Steiner dat zijn werk overal praktisch wordt toegepast, met name in opvoedkunde, onderwijs, geneeskunde, sociale hervorming, biologische dynamische landbouw en architectuur. Hij is bij mijn weten de eerste die niet spreekt over een abstracte, wereldvreemde geest, maar over een praktische geest.

Ten derde is het maar de vraag of de mensen in het werk van Steiner iets zoeken om ‘gered te worden uit een hopeloze leegte en om hun ziel nieuw leven in te blazen.’ Het kan evengoed zijn dat ze op zoek zijn naar de waarheid omtrent ‘de grote vragen van leven en dood’ en daar is in wezen ieder mens naar op zoek. En dat is iets anders dan alleen maar iets zoeken om gered te worden uit een hopeloze leegte.

Steiner zelf schrijft overigens in zijn autobiografie met grote waardering over Gabriele Reuter. Hij wijdt er bijna een hele bladzijde aan, die begint met de zin: ‘Met Gabriele Reuter, die ik door deze kring (de vriendenkring om Hans en Grete Olden R.v.D.) nader mocht leren kennen, beleefde ik uren die ik tot de mooiste van mijn leven moet rekenen.’ Uit wat hij verder schrijft, blijkt duidelijk dat hij geheel en al opging in het werk en de gedachten van Gabriele Reuter, maar uit geen woord blijkt dat ze ook over iets spraken wat hemzelf bezighield. Dat was een opvallende eigenschap van Steiner, dat hij grote interesse en begrip voor anderen had, maar dat omgekeerd die anderen maar weinig interesse en begrip voor hem hadden. Ik denk dat er velen in die kringen in Weimar wel zagen dat Steiner een zeer veelzijdig begaafd persoon was en ze waren ook wel zeer geïnteresseerd in filosofie en literatuur, maar de allergrootste gave van Steiner, zijn helderziendheid of anders gezegd zijn vermogen om een ‘kijkje te nemen achter de coulissen van het bestaan’, daar hadden die vrienden geen oog voor. Daarom snap ik niet dat zo’n grote antroposofiekenner als Walter Kugler het doet voorkomen alsof Gabriele Reuter zo goed heeft gezien wie Steiner was en wat hij wilde. 

De Taliban, wie snapt daar nu wat van.

Momenteel lees ik het boek Duizend schitterende zonnen van Khaled Hosseini. Hij is een Amerikaanse schrijver en arts van Afghaanse afkomst, geboren in 1965. Het verhaal in dit boek speelt ook in Afghanistan. Een boeiend en zeer lezenswaardig boek is het zeker, maar geen boek waar je vrolijk van  wordt. Het is een aaneenschakeling van vrouwenonderdrukking- en mishandeling, oorlog en andere ellende. Zeer verbijsterend vond ik wel de hieronder volgende passage. Het speelt ten tijde van de verovering en bezetting van de stad Kabul door de Taliban van 1996 tot 2001. Het woord Taliban betekent Studenten, maar ik heb nog nooit zo’n stel achterlijke, barbaarse domkoppen bij elkaar gezien. Je vraagt je wel eens af hoe de mensen toch zo krankzinnig kunnen worden.

Gewapende en bebaarde mannen met zwarte tulbanden zaten op de laadbak. Van elke vrachtauto schalde een luidspreker aankondigingen in het Farsi en het Pashtu. Dezelfde boodschap kwam uit luidsprekers op moskeeën en uit de radio, die nu De Stem van de Sharia heette. De boodschap stond ook op folders die op straat werden verspreid. Mariam vond er een op het erf.

 ‘Onze watan heet nu Het Islamitische Emiraat Afghanistan. Dit zijn de wetten die wij zullen doorvoeren en waaraan u dient te gehoorzamen: “Alle burgers moeten vijfmaal per dag bidden. Als het gebedstijd is en u wordt erop betrapt iets anders te doen, zult u worden geslagen.

Alle mannen moeten hun baard laten staan. De juiste lengte is minimaal één gebalde vuist onder de kin. Als u dat niet accepteert, zult u worden geslagen.

Alle jongens moeten een tulband dragen. Jongens van de eerste tot en met de zesde klas dragen een zwarte tulband, hogere klassen een witte. Alle jongens moeten islamitische kleren dragen. De kraag van een overhemd moet dichtgeknoopt zijn.

Zingen is verboden. Dansen is verboden. Kaarten, schaken, gokken en vliegeren is verboden.

Boeken schrijven, films kijken en schilderen is verboden.

Als u parkieten houdt, zult u worden geslagen. Uw vogels worden gedood.

Als u steelt zal uw hand bij het polsgewricht worden afgehakt. Als u ten tweede male steelt zal uw voet worden afgehakt.

Als u geen moslim bent, mag u geen godsdienstige aanbidding verrichten op een plek waar u door een moslim kunt worden gezien. Als u het wel doet, zult u worden geslagen en gevangengezet. Als u erop wordt betrapt een moslim tot uw geloof te willen bekeren, zult u worden geëxecuteerd.

Vrouwen, opgelet: U moet te allen tijde binnen blijven. Het is voor een vrouw niet gepast doelloos over straat te dwalen. Als u naar buiten gaat, moet u in het gezelschap zijn van een mahram, een mannelijk familielid. Als u erop wordt betrapt alleen op straat te zijn, zult u worden geslagen en naar huis gestuurd. Onder geen enkele omstandigheid mag u uw gezicht tonen. Als u buiten bent is uw lichaam bedekt met een burka. Zo niet, wordt u ernstig geslagen.

Cosmetica is verboden. Juwelen zijn verboden. U mag geen bekoorlijke kleding dragen. U mag niet spreken, tenzij er tegen u gesproken wordt. U mag niet in het openbaar lachen. Als u het wel doet, zult u worden geslagen. U mag uw nagels niet opmaken. Als u het wel doet, zult u een vinger verliezen. 

Het is meisjes verboden naar school te gaan. Alle meisjesscholen worden met onmiddellijke ingang gesloten. Als u een meisjesschool probeert te openen, zult u worden geslagen en de school zal worden gesloten.

Vrouwen mogen niet werken.

Als u schuldig wordt bevonden aan overspel, zult u gestenigd worden tot de dood erop volgt.

Luister. Luister goed. Gehoorzaam. Allah-u-akbar.'”

Filosofen denken veel maar weten niks

Filosofen zijn mensen die zich helemaal suf denken maar niks weten. Als er dan een groot genie opstaat, die wel wat weet en in feite met kop en schouders boven iedereen uitsteekt, Rudolf Steiner dus, dan zijn de filosofen de eersten die hem een fantast en een zwever noemen. Sommigen deinzen er zelfs niet voor terug om hem een dwaas en een gek te noemen.

Ik kan me wel aardig vinden in de woorden van Maarten ’t Hart, die
overigens helemaal niets van antroposofie moet hebben: ‘Mij dunkt: wij moeten niet wijsbegeerte als leervak invoeren op de middelbare scholen, wij moeten, mede gelet op het feit dat elke student filosofie de staat jaarlijks een vermogen kost, de wijsgeren, overgoten met pek en veren, smadelijk wegjagen van onze universiteiten. Kan het eindelijk eens afgelopen zijn met die gevaarlijke onzin?’

Merkwaardig genoeg is het bezwaar van Maarten ’t Hart tegen filosofie hetzelfde als dat van mij, namelijk dat filosofen geloven dat ze met alleen denken wat kunnen bereiken en over van alles hun gedachten laten gaan en een oordeel hebben zonder er werkelijk wat van af te weten. Het verschil is alleen dat Maarten ’t Hart met dit niet weten doelt op de natuurwetenschap en ik doel met dit niet weten op de antroposofie van Steiner. Hoe is Maarten ’t Hart gekomen tot het neersabelen van de filosofie? Dat is te lezen in zijn boek Een deerne in lokkend postuur in het hoofdstuk Is Kant riskant? ‘t Hart heeft jarenlang allerlei filosofen bestudeerd en daarnaast heeft hij als bioloog jarenlang diergedrag geobserveerd en bestudeerd. Daarbij bleek hem steeds weer dat veel filosofen allerlei meningen over dieren en het verschil tussen mens en dier ten beste gaven, waaruit bleek dat ze er geen bal van afwisten. Tegen zijn collega’s van de Rijksuniversiteit durfde Maarten ’t Hart niet eens te zeggen dat hij veel filosofie las. Hij schrijft daarover: “Na Nietzsche volgde in mijn geval niets meer. Ik werd aangesteld als wetenschappelijk medewerker aan de afdeling ethologie van de Rijksuniversiteit te Leiden en merkte al spoedig dat al mijn collega’s aldaar wijsbegeerte beschouwden als volstrekt nutteloze onzin. Ik hield angstvallig voor me dat ik daarin tien jaar lang hevig geïnteresseerd was geweest, want ik wilde natuurlijk wel blijven doorgaan voor een serieuze gedragsonderzoeker.”

Waarmee ik nu ook weer niet wil beweren dat alle filosofie onzin is -tenslotte was Steiner zelf ook een groot filosoof-, maar tegen filosofen die niks van antroposofie weten en wel Steiner afdoen als een halve gek, die de mensen dom wil houden, zou ik een uitspraak van Bob Dylan willen citeren: ‘Don’t critisize what you can’t understand.’

Mijn naam is haas, is er wat gebeurd dan? Daar weet ik niks van.

Het devachan – vraagtekens en bedenkingen

Op 15 april plaatste ik hier een kort fragment van Rudolf Steiner over het devachan.

Hierin staat het volgende van Steiner: En nu begint voor de mens de tijd van het devachan, de intrede in de geestelijke wereld, in het vaderland der goden en alle geestelijke wezens. Als de mens deze wereld binnentreedt, beleeft hij een gevoel dat men vergelijken kan met de bevrijding van een plant die in een smalle rotsspleet groeide en plotseling in het licht binnengaat(emporwächst). Want wanneer de mens in deze hemelwereld binnenkomt, beleeft hij in zich de volkomen geestelijke vrijheid en hij geniet voortaan de absolute gelukzaligheid.

Want, wat is eigenlijk deze tijd van het devachan? U kunt zich daar een voorstelling van maken als u overweegt, dat de mens hier de voorbereiding treft voor een nieuw leven, voor een nieuwe wedergeboorte. In de fysieke wereld, in deze aardse wereld (unteren Welt) heeft de mens zo veel ervaren en beleefd en deze ervaringen heeft hij mee naar boven genomen (hinübergenommen). Hij heeft deze als een vrucht van het leven in zich opgenomen, wat hij nu vrij in zich verwerken kan. Hij vormt zich nu in de devachantijd een oerbeeld voor een nieuw leven. Dat geschiedt gedurende een lange, lange tijd. Dat is een scheppen aan het eigen leven (Sein) en dit scheppen, dit produceren is met gelukzaligheid verknoopt.

Het is voor de mensen een lust om in het devachan de vrucht van het voorbije leven in te weven in het plan voor een nieuw leven.”

Nu gaat het er mij niet om of dit, wat hij hier zegt, waar is of niet waar. Velen zullen natuurlijk zeggen, dat het een bedenksel is van Steiner en dat men dit eerst maar eens moet bewijzen. Maar ook zonder iets te kunnen bewijzen, kan men nog wel eens ergens de waarheid van inzien. Ik ben in ieder geval absoluut overtuigd dat het waar is wat hij hier beweert.

Dat neemt niet weg dat ik er bedenkingen bij heb en veel in het werk van Steiner maar weinig begrijp. Want hij beweert in deze tekst dus, dat de mens in de devachantijd de ervaringen en belevenissen van het voorbije leven verwerkt en nu werkt aan de voorbereiding van een nieuw aardeleven. Bij dit scheppen beleeft de mens absolute gelukzaligheid. Dat is natuurlijk prachtig en om eerlijk te zijn, ik heb er nu al zin aan, maar ik vraag mij af: als een mens nu een moeilijk en droevig levenslot tegemoet gaat – en dat is voor het merendeel der mensen toch het geval -, hoe kan het dan hoogste lust zijn om dit lot zelf te scheppen? Ik zou eerder zeggen dat men er als een berg tegenop ziet, als men bijvoorbeeld voor zich ziet dat men armoede, ziekte, rampen of allerlei andere ellende moet doormaken. Ik begrijp wel dat men bepaalde minder goede daden of misschien zelfs misdaden uit een vorig leven goed wil maken, maar dat neemt niet weg dat het evengoed niet bepaald een groot plezier is, als men aan het plan voor een dergelijk levenslot werkt.

Schilderij van Hein Walter


Over geluk en ongeluk

“Hoewel ik van adel ben, verzetsheld en twee ridderordes heb mogen ontvangen, ben ik niet voor het geluk geboren. Ik ben niet één dag van mijn leven gelukkig geweest. Nog geen dag. Als ik gelukkig was, zou ik me geen raad weten. Zo zit het.”

Ik heb dit altijd wel een mooi citaat van Gerard Reve gevonden.

Het huis van Reve in Machelen aan de Leie (Oost-Vlaanderen). Joop van Schafthuizen woont er nog steeds.

Raadselachtig is echter wel de zin: “Als ik gelukkig was, zou ik me geen raad weten.”  Ik heb me vaak afgevraagd wat hij daar mee bedoelt. Het is toch meer vanzelfsprekend dat iemand zich geen raad weet als hij ongelukkig is. Ik vermoed dat Reve bedoelt, dat als hij gelukkig was dan zou er voor hem geen reden zijn en ook geen behoefte om te schrijven. En als hij niet zou schrijven dan zou hij helemaal geen inhoud en voldoening meer in zijn leven vinden. Ik denk dat voor hem schrijven zijn levensgeluk was en zonder te schrijven zou zijn leven leeg, zinloos en onbevredigend zijn.

Gerard Reve en Joop van Schafthuizen

Het merkwaardige is echter dat hij na zijn laatste boek ‘Het hijgend hert’ in 1998 tot aan zijn dood in 2006 niets meer heeft geschreven en dat hij het schrijven volgens zijn vriend Joop van Schafthuizen ook helemaal niet miste. Door de ziekte van Alzheimer kon hij niet meer schrijven en had hij er blijkbaar ook geen behoefte meer aan. Uiteindelijk was zijn geheugen zodanig aangetast dat hij de laatste jaren niet eens meer wist dat hij boeken had geschreven. Zou hij toen wel gelukkig geweest zijn? Ik denk het niet. Want langzamerhand alles vergeten en alle vaardigheden verliezen is natuurlijk heel tragisch. De humor die altijd ijzersterk was in het werk van Reve is hem echter lang bijgebleven. Toen hij in het verpleeghuis de deur van zijn kamer open had staan en veel mensen voorbij zag lopen, zei hij tegen zijn vriend: “Wat een mensen, hè, ik heb over belangstelling niet te klagen.”