Transformatie door het Ik

Vergelijk eens een van de wildste mensen, een kannibaal die nog andere mensen opeet, met een gemiddelde Europeaan, en dit weer met een hoog ontwikkeld persoon, bijvoorbeeld Goethe, Schiller of Franciscus van Assisi. De wilde volgt onmiddellijk zijn instincten en hartstochten zoals ze in zijn astrale lichaam aanwezig zijn. Hij heeft weliswaar al het Ik, maar dat is nog geheel in de macht van het astrale lichaam. De gemiddelde persoon van tegenwoordig onderscheidt al wel wat goed en niet goed is. Dit komt doordat deze persoon al aan zijn astrale lichaam heeft gewerkt. Hij heeft daaraan gewerkt en zelfs sommige driften omgevormd in zogenaamde idealen. Hoe meer een mens vanuit zijn Ik zijn astrale lichaam heeft omgewerkt, hoe hoger ontwikkelingsstadium hij heeft bereikt.

De gemiddelde Europeaan van vandaag de dag heeft al veel omgewerkt. Een individualiteit als Schiller of Goethe heeft al een veel groter deel van zijn astrale lichaam omgewerkt. Maar iemand die alle hartstochten al onder zijn wil heeft bedwongen, zoals bijvoorbeeld Franciscus van Assisi, heeft een astraallichaam dat volledig is getransformeerd door het Ik; er is niets meer in dat niet onder de heerschappij van het Ik staat.

Bron: Rudolf Steiner – GA 100 – Menschheitsentwickelung und  Christus- Erkenntnis / Theosophie  und  Rosenkreuzertum – Kassel, 17 juni  1907 (blz. 40-41)

Portraits of Rudolf Steiner 0014

Onzichtbare wezens werken in ons leven

Het astrale plan en het devachanplan zijn zeer bevolkte werelden en veel soorten wezens vinden we daar, die – hoewel ze niet op tastbare wijze in hun openbaringen hier zijn waar te nemen -, toch hun werkingen, hun daden hier op het fysieke plan uiten en die met het fysieke gebied, met ons hele tegenwoordige leven zeer veel te maken hebben. Men begrijpt het mensenleven niet, als men niet weet dat binnen het menselijke leven zulke wezens werkzaam zijn, die boven in hogere werelden leven. In het menselijk lichaam zelf vindt veel plaats waarover de mens geen meester is, dat niet uitdrukking van het menselijk Ik is, maar daad, werking, openbaring van wezens van hogere werelden.

Bron: Rudolf Steiner – GA 102 – Das Hereinwirken geistiger Wesenheiten in den Menschen – Berlijn, 6 januari 1908 (bladzijde 14-15)

Eerder geplaatst op 22 september 2017  (3 reacties)

Niet toevallig

De manier waarop wij mensen tegenwoordig in het leven bij elkaar komen is niet toevallig, beslist niet toevallig. Onze levensbanen brengen ons met bepaalde mensen in contact en met andere mensen niet. Maar dat berust tegenwoordig geheel en al op de werking van het karma van de afzonderlijke mensen. Want wij staan nu aan het begin van een ontwikkelingsperiode die de voorafgaande karmische ontwikkelingen van de mensen op een bepaald niveau heeft gebracht.

Denk eens, hoeveel minder karma de mensen in de eerste tijden van de aarde-ontwikkeling hadden verzameld! Elke keer dat wij incarneren wordt er nieuw karma gevormd. Eerst moesten de mensen elkaar immers onder aardse omstandigheden ontmoeten, zonder dat ze vroeger al bij elkaar waren geweest, om nieuwe karmadraden te spinnen. Maar doordat we ons nu zo heel vaak op aarde geïncarneerd hebben zijn de omstandigheden langzamerhand zo geworden, dat we eigenlijk in de regel geen mens meer ontmoeten met wie we in vroegere incarnaties niet al het een en ander hebben doorgemaakt. De mensen worden bijeengebracht door wat ze in vorige incarnaties hebben meegemaakt. Het lijkt ‘toevallig’, dat deze of gene mensen elkaar ontmoeten; in waarheid berust dit op ontmoetingen uit vorige incarnaties, waar de krachten ontwikkeld werden die hen nu in zekere zin weer bij elkaar brengen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 168 – Die  Verbindung zwischen Lebenden  und  Toten: Wie kann die seelische Not der Gegenwart überwunden werden?- Zürich, 10 oktober 1916 (blz. 95)

Vertaling: Annerie Marx – Overgenomen uit Eenzaamheid en Vervreemding – Uitgeverij vrij geestesleven, Zeist – 1983 (blz. 12-13)

737x1200

IJdelheid / Schaamte / Dankbaarheid

Terwijl men in het gewone leven woorden, die zijn uitgesproken, als afgedaan beschouwt, heeft men bij een esoterische ontwikkeling een duidelijk ‘achterna gevoel’ over het gesprokene: een soort innerlijke schaamte wanneer men iets heeft gezegd dat moreel of intellectueel onjuist was, en een soort dankbaarheid – geen zelfingenomenheid – wanneer het is gelukt iets uit te spreken, waartegen de door ons verworven wijsheid ‘ja’ kan zeggen.

Wanneer men dan – en ook daarvoor verkrijgt men een fijne opmerkingsgave – door ’t juiste uit te spreken een zelfingenomenheid voelt opduiken, laat dit dan een teken zijn van nog te veel ijdelheid, die nergens toe deugt bij de ontwikkeling van de mens. Men leert dan onderscheid maken tussen een tevredenheidsgevoel bij een uitspraak, die de eigen goedkeuring wegdraagt en de zelfingenomenheid, die nergens toe deugt. Men moet ernaar streven dit laatste gevoel niet te laten opkomen, doch slechts het gevoel te ontwikkelen voor de schaamte over het immorele of onjuiste woord, en daarnaast bij een passende uitspraak de dankbaarheid voor de wijsheid, die niet uit onszelf komt, maar een geschenk van de kosmos is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 145 – Welche Bedeutung hat die okkulte  Entwicklung des Menschen für seine Hüllen (physischen Leib, Ätherleib,  Astralleib) und sein Selbst? – Den Haag, 24 maart 1913 (blz. 90)

Nederlands: Innerlijke ontwikkeling door antroposofie (blz. 77-78) – Uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist – 1980

Vertaling: H. van Boetzelaer-Mazel / Ir. H. de Brey / A. van der Laan-Schepers

innerlijke-ontwikkeling-door-antroposofie

Schadelijke gedachten en gevoelens

We moeten geheel anders doordrongen worden van de uitwerking (Duits: Tragweite) van onze daden en van de verantwoordelijkheid die het leven ons oplegt.  De meest alledaagse aspecten van het leven kunnen op deze manier door de spirituele inzichten beïnvloed worden. Degene die weet wat als gevolg van gedachten en gevoelens in de onzichtbare wereld voorvalt, die komt uiteindelijk zo ver dat het voor hem even belangrijk wordt om een ander mens geen slechte gevoelens te zenden als het belangrijk is hem niet op geweerschoten te trakteren. Hij weet dat het even erg is voor de astrale mens om een haatgedachte naar hem te zenden als het schadelijk is voor de fysieke mens als er een baksteen naar hem gegooid wordt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 93 – Die Tempellegende und die Goldene Legende/Aus den Inhalten der Esoterischen Schule – Berlijn, 23 oktober 1905 (bladzijde 250)

Eerder geplaatst op 20 september 2017  (1 reactie)

beth-stones