Waarde en betekenis van bovenzintuiglijke kennis

Het is de bedoeling van dit  boek (Theosofie) een beeld te geven van enige gebieden van de bovenzintuiglijke wereld. Wie zich slechts bepaalt tot de met de zintuigen waarneembare wereld zal dit beeld houden voor een onwerkelijke fantasie. Degene evenwel, die de weg wil zoeken waarlangs men verder komt, zal weldra leren begrijpen dat het menselijke leven alleen maar aan waarde en betekenis kan winnen door de blik te richten op een andere wereld. De mens wordt daardoor niet – zoals velen vrezen – van zijn “werkelijke” leven vervreemd, integendeel, daardoor leert hij om in dit leven stevig met beide benen op de grond te staan. Hij leert de oorzaken van het leven kennen, terwijl hij zonder deze kennis als een blinde rondtast door de gevolgen. Door het onderzoeken van het bovenzintuiglijke wint de zintuiglijke “werkelijkheid” aan betekenis. Daarom wordt men door deze kennis bruikbaarder, en niet minder bruikbaar, voor het leven. Slechts degene die de zin van het leven begrijpt, kan een waarlijk “praktisch” mens zijn. 

Bron: Rudolf Steiner – GA 9 – THEOSOPHIE – Einführung in  übersinnliche  Welterkenntnis und  Menschenbestimmung (blz. 2)

Uit de vijfde druk van THEOSOFIE (blz. 11-12). Vertaling H.G.J. de Leeuw

528x840

Gevoel en begrip voor de waarheid liggen in ieder mens besloten

Degene die het bovenzintuiglijke waarneemt, moet niet alleen spreken tot hen die trachten de geesteswereld te doorgronden. Hij moet zijn woorden richten tot àlle mensen. Want hij heeft de taak om mededelingen te doen over dingen die alle mensen betreffen; ja, zelfs weet hij dat niemand in de ware betekenis van het woord mens kan zijn, die niet in bepaalde mate met deze zaken bekend is. En hij richt zijn woorden tot alle mensen, omdat hij weet, dat er uiteenlopende maten van begrip zijn voor datgene wat hij te zeggen heeft. 

Hij weet ook dat zij, die nog ver verwijderd zijn van het ogenblik dat zij tot zelfstandig onderzoeken in staat zijn, begrip voor zijn woorden kunnen opbrengen. Want gevoel en begrip voor de waarheid liggen in ieder mens besloten. En tot dit begrip, dat in elke gezonde ziel tot verdere ontwikkeling kan komen, wendt hij zich allereerst. Hij weet ook dat er in dit begrip een kracht schuilt, die geleidelijk de weg vrijmaakt naar de hogere graden van bewustzijn. 

En dit gevoel, dat misschien in het begin totaal niets waarneemt van hetgeen waarover gesproken wordt, dit gevoel zelf is de tovenaar die het geestesoog opent. Dit gevoel komt in het duister tot activiteit. De ziel kan niet zien, maar via dit gevoel wordt zij gegrepen door de macht der waarheid, en dan zal de waarheid geleidelijk tot de ziel komen en voor haar het hogere waarnemingsorgaan openen. Voor de een kan dat korter, voor de ander langer duren; wie geduld heeft en volhardt, bereikt dit doel niettemin.

Bron: Rudolf Steiner – GA 9Theosophie – Einführung in  übersinnliche  Welterkenntnis und  Menschenbestimmung (blz. 6-7)

Uit de vijfde druk van Theosofie (blz. 17-18). Vertaling H.G.J. de Leeuw

528x840

Een zwakke afspiegeling

Wat we in het vooraardse bestaan in samenwerking met de wezens van de hogere hiërarchieën beleven, laat voor ons aardeleven in zekere zin in ons een erfdeel achter, een zwakke schaduw van dit samenleven met de wezens van de hogere hiërarchieën. Zouden we tussen dood en nieuwe geboorte dit samenleven met de wezens van de hogere hiërarchieën niet hebben, dan konden we hier op aarde niet de kracht van de liefde ontvouwen. Want wat we hier op aarde als de kracht van de liefde ontwikkelen, is weliswaar maar een zwakke afspiegeling, een schaduw van het samenleven met de geestwezens van de hogere hiërarchieën tussen de dood en een nieuwe geboorte, maar het is toch een weerspiegeling, een schaduw van dit samenleven.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 15 december 1922 (bladzijde 61-62)

Eerder geplaatst op 2 februari 2018

eb26eaa5-2524-428c-9dc1-5894b0042dcb

Een uiterst gecompliceerde zaak

Zodra men, om zo te zeggen, de sluier oplicht die zich toch altijd voor de mensen uitstrekt, zodat de mens alleen de zintuiglijke wereld ziet en niet de erachter liggende geestelijke, zodra men deze sluier oplicht, wordt het leven toch een uiterst gecompliceerde zaak. Dan blijkt ten eerste dat niet alleen de soort wezens en hun fysieke afspiegeling, de sterren, op de mens een invloed hebben, die nu rechtstreeks kan worden waargenomen, maar dat binnen het aardse bestaan zelf  bovenzinnelijke wezens aanwezig zijn, die verwant zijn met de sterrenwezens, die echter als het ware hun woonplaats in het bereik van het aardse opgeslagen hebben.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt – Dornach, 3 december 1922 (bladzijde 48)

Eerder geplaatst op 29 januari 2018

353d7260c09389959800994d7429ece7

Staan op één been

Het is geen onzin dat bepaalde ziekten gewoon beter genezen als de patiënt met zijn bed in oost-westrichting wordt gelegd. Dit is geen bijgeloof, het is iets waar iedereen zichzelf empirisch van kan overtuigen als hij dat wil. Maar dit zou geen aanbeveling moeten zijn dat iedereen nu zijn bed op de een of andere manier zou moeten neerzetten! Ik heb zoveel gezien in deze richting dat het nodig is dat ik zulke dingen blijf toevoegen. Voor wat kan worden beleefd, wat dit betreft, zouden talloze voorbeelden kunnen worden gegeven. 

Het is bijvoorbeeld een keer gebeurd – het was nog in Berlijn – toen een antroposofieles eindigde, en ik zei dat het wel een zekere waarde heeft als men niet eerst moet gaan zitten om laarzen aan te trekken als het regent, maar dat men het ook staand zou kunnen doen, waarbij men dan korte tijd op één been moet staan. Ik zei dat een mens ook op één been moet kunnen staan. Sommige antroposofen vatten dit zo op, dat de Antroposofische Vereniging haar leden als esoterische oefening gaf om middernacht een tijdje op één been te staan. [….] 

Er zijn talloze van dergelijke berichten, die dan weer in een of ander krantenartikel verschijnen door goedwillende of kwaadwillende mensen, meestal kwaadwillende. Nu, zoals ik al zei, ik wil er beslist niet op wijzen dat iedereen nu zijn bed op een bepaalde manier moet neerzetten. Maar het moet worden erkend dat dergelijke verschijnselen, waarvan er vele zijn, aantonen dat de mens ook vandaag nog in het onderbewuste van zijn wezen relaties heeft met de ruimtelijke differentiaties die buiten hem zijn en waarin hij is geplaatst.

Bron: Rudolf Steiner – GA 201 -Entsprechungen  zwischen Mikrokosmos  und  Makrokosmos – Dornach, 17 april 1920 (blz. 75-76)

56d37e7d3b8daef3b119fd474742afe0