Hedendaags autoriteitsgeloof erger dan middeleeuws bijgeloof

We moeten vooral oppassen dat we in geen enkel tijdperk te veel aandacht besteden aan wat als autoriteit optreedt. Zolang men geen spiritueel inzicht heeft, kan men daar erg de fout in gaan. Dit is met name het geval op een gebied van de menselijke cultuur, op het gebied van de materialistische geneeskunde, waar we zien hoe beslissend is wat de autoriteit in handen  heeft en dat uitlopen zal op iets wat veel erger, veel vreselijker is dan elke heerschappij door autoriteit in de veel bespotte middeleeuwen. 

We zijn er tegenwoordig al midden in en het zal nog steeds sterker en sterker worden. Als men zo vreselijk de spot drijft met de geesten van middeleeuws bijgeloof, dan zou men willen zeggen: ja, is er in dit verband iets bijzonder veranderd? Is deze angst voor geesten verdwenen? Zijn mensen niet nog veel banger voor geesten dan toen?

Wat er in de menselijke ziel omgaat als mensen wordt verteld dat ze 60.000 bacillen op hun handen hebben, is veel verschrikkelijker dan algemeen wordt aangenomen. In Amerika is berekend hoeveel van dergelijke bacillen er in een enkele mannelijke snor zitten. [….] De angst die door de bacillen wordt verwekt is nog maar net begonnen en leidt er in gezondheidskwesties toe dat mensen bezwijken voor een werkelijk verschrikkelijk autoriteitsgeloof.

Bron: Rudolf Steiner – GA 127Die  Mission  der  neuen Geistesoffenbarung – Mannheim, 5 januari 1911 (blz. 22)

8c73e7d2162293347778be362f00a492_400x400

Waarheid en Dwaling / Gezondheid en Ziekte (2 van 2)

Gaan wij echter door de poort van de dood en leggen het fysieke lichaam af, dan is dit lichaam geen belemmering meer. Dan komt in ons gehele geestes-zielewezen tot uitdrukking, wat we ons hebben eigen gemaakt door het beleven van het moreel-goede of moreel-slechte. Dan leven wij daar naar geest en ziel als een volledig mens, of als een gebrekkige.

En zo gaan wij door de geestelijke wereld heen, tot wij weer opnieuw een fysiek aardelichaam aannemen en van binnenuit ons eigen lot scheppen. Want als wij vanuit een vroeger aardeleven naar geest en ziel harmonisch zijn, kunnen wij dit aardelichaam ook volmaakter vormen en het bekwaam maken voor deze of gene taak in het leven. Komen wij echter naar de aarde als een moreel-gebrekkige, dan zullen wij van embryo af aan tot in de volwassenheid toe onhandig en onbekwaam zijn in het beheersen van ons lichaam en ons daardoor een innerlijk lot scheppen, dat dan ook tot uiterlijk lot wordt.

Wie het leven onbevangen kan gadeslaan, zal ontdekken hoe de innerlijke lotsvorming zich nauw verbindt met het uiterlijk lotsbeleven, doordat wij in staat zijn ons van ons lichaam en wat daarmee samenhangt te bedienen; waar wij door middel van ons lichaam met de zintuiglijk-fysieke wereld in aanraking komen, kunnen wij het van binnenuit dus bekwaam of onhandig gebruiken. Daardoor bereiden wij ook, althans gedeeltelijk, de uiterlijke gebeurtenissen op zo’n manier voor, dat ook het uiterlijk lot voor een deel het gevolg blijkt van het innerlijk lot. En wat we op deze manier doormaken, wordt in de opeenvolgende latere levens weer in evenwicht gebracht.

Bron: Rudolf Steiner – GA 231 – Der übersinnliche Mensch anthroposophisch  erfaßt – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 44-45)

Rudolf Steiner – Tussen dood en nieuwe geboorte – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 42-43) – 1979 UItgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

Vertaling:M. Macintosh

Eerder geplaatst op 8 november 2020 

504x840

Waarheid en Dwaling / Gezondheid en Ziekte (1 van 2)

We zeggen dat het vaak buitengewoon deprimerend is ons lot te moeten verdragen. Inderdaad. Wanneer we ons tot het fysiek-zintuiglijke aardeleven bepalen, zien we hoe iets, wat voortkomt uit de beste morele impulsen, maar al te vaak weinig succes heeft, terwijl veel, wat voortkomt uit beslist niet goede morele impulsen, wel goede resultaten oplevert. Waarom is dit zo? Dit komt doordat deze fysiek-zintuiglijke wereld, die wij in zekere zin hebben ‘aangetrokken’, namelijk een deel daarvan om ons lichaam te bekleden, totaal geen zedelijke impulsen bevat. Om te beginnen doven in ons hele doen en laten binnen de fysieke wereld de morele impulsen uit, ze spelen geen rol meer, hoogstens kunnen er enkel conventionele regels voor in de plaats komen. Maar door geestelijke kennis leren wij inzien, dat deze wereld niet de enige is, integendeel, dat ze overal doortrokken is van het geestelijke, en wij leren ook inzien, hoe wij het morele en immorele van ons handelen binnendragen in deze wereld van de geest.

Leren wij de waarheid kennen als het gezonde en de dwaling als het ziekmakende, dan strekken wij dit inzicht ook uit tot de morele waarheid en de immorele dwalingen. en wij leren inzien, hoe de mens, door zich over te geven aan de morele waarheid, naar ziel en geest een volledig ontwikkeld mens wordt. Dat behoeft in het tegenwoordige aardse lichaam niet onmiddellijk tot uitdrukking te komen, maar wie morele impulsen in zich draagt, ontplooit zich innerlijk tot een geestelijk-moreel mens. Doordat iemand zich overgeeft aan de dwaling, wordt hij innerlijk naar geest en ziel een gebrekkige.

Zo leert men het morele kennen als iets wat gezond, en de dwaling als iets wat ziek maakt, en men gaat inzien dat door het leven in de morele waarheid de mens harmonisch gevormd wordt. Maar in de ontwikkelingscyclus, waarin wij ons bevinden, uit zich dat niet onmiddellijk in het fysieke lichaam, dat wij dragen als resultaat van wat wij ons in het vorige aardeleven hebben eigen gemaakt. Maar wanneer wij ons overgeven aan de moreel gezonde waarheid of aan de moreel ongezonde dwaling, worden wij naar geest en ziel respectievelijk gezonde harmonische mensen of wij worden verminkt.

Wordt vervolgd

Bron: Rudolf Steiner – GA 231 – Der übersinnliche Mensch anthroposophisch  erfaßt – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 43-44)

Rudolf Steiner – Tussen dood en nieuwe geboorte – Den Haag, 16 november 1923 (bladzijde 41-42) – 1979 UItgeverij Vrij Geestesleven, Zeist

Vertaling:M. Macintosh

Eerder geplaatst op 7 november 2020

504x840

Vrees en angst voor het onbekende

Wie angstig en bevreesd vooruit kijkt naar wat de toekomst hem brengen kan, die belemmert zijn ontwikkeling, remt de vrije ontplooiing van zijn zielekrachten. Niets is eigenlijk zo belemmerend voor deze vrije ontplooiing van de zielekrachten als de vrees en angst voor het onbekende, dat uit de stroom van de toekomst de ziel nadert (Duits: in die Seele hereintritt). Wat de overgave (Duits: Ergebenheit) aan de toekomst kan brengen, daarover kan eigenlijk alleen de ervaring oordelen. Wat is overgave aan de toekomstige gebeurtenissen? 

In zijn ideale vorm zou deze overgave de zielestemming zijn die zich altijd zou kunnen zeggen: Wat ook komt, wat me ook het volgende uur, de volgende morgen brengen mag, ik kan het vooreerst, als het mij geheel onbekend is, door geen vrees en angst veranderen. Ik wacht het met volkomen innerlijke rust, met volkomen gemoedskalmte af!

De ervaring die uit een dergelijk gevoel van overgave aan de toekomstige gebeurtenissen volgt, is dat degene die zo gelaten, met volmaakte stilte van het gemoed de toekomst tegemoet gaan kan en toch zijn energie, zijn daadkracht op geen enkele manier eronder lijden laat, de krachten van zijn ziel op de meest intensieve wijze, op de meest vrije wijze kan ontplooien. Het is alsof als het ware hindernis na hindernis van de ziel valt, als ze steeds meer en meer in die stemming komt, die nu als “overgave” aan de ons uit de toekomst toestromende gebeurtenissen gekarakteriseerd is.

Bron: Rudolf Steiner – GA 59 – Metamorphosen des Seelenlebens / Pfade der Seelenerlebnisse: Zweiter Teil – Berlijn, 17 februari 1910 (bladzijde 114-115)

Eerder geplaatst op 3 januari 2018  (1 reactie)

faith-4932875_1920-1030x687

Benamingen

In de voordrachten over de astrale wereld heb ik geprobeerd te beschrijven welke weg de menselijke ziel heeft te doorlopen, nadat ze door de poort van de dood gegaan is. Deze weg door de zielenwereld – of de astrale wereld zoals het in de theosofische literatuur genoemd wordt -, is relatief kort. Het langste deel van de tijd welke de menselijke ziel nodig heeft om van de ene incarnatie naar de volgende te komen, besteedt ze in de geestelijke wereld, in wat men in de theosofie devachan, het land van de goden, noemt. Ik zal, om een Duitse uitdrukking te gebruiken, de woorden “geestenland” (Geisterland) of “geesteswereld” (Geisteswelt) voor “devachan” gebruiken. We moeten erop letten dat we langzamerhand Duitse uitdrukkingen invoeren. En als we weten dat we met het zogenaamde geestenland niets anders bedoelen dan wat in de theosofie devachan is, dan zullen we elkaar begrijpen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 88 – Über die astrale Welt und das Devachan – Berlijn, 11 februari 1904 (bladzijde 119)

Eerder geplaatst op 2 januari 2018

41gWzxHeOQL._SY264_BO1,204,203,200_QL40_ML2_