Het is vandaag de dag een grote zonde als iemand beweert iets anders te weten dan wat zijn persoonlijke mening is  

Ik was onlangs bij het Volkenbondcongres in Bern, waar over van alles gesproken werd, waarover het nu onnodig is te spreken, omdat het toch tot niets leidt, en waarover van alles niet werd gesproken, wat tegenwoordig het meest nodig is. Maar dat wil ik niet eens als het belangrijkste noemen. Als de hoofdzaak wil ik noemen een bepaalde wijze van formuleren, die bij bijna elke spreker aan de dag kwam. In minstens iedere derde zin hoort men bij deze sprekers het woord ‘ik’: Ik ben van mening-, ik bedoel-, mij lijkt het dat dit of dat nodig is-, ik hou van dit of dat-, dat kunt u in bijna elke zin horen. 

En de mensen worden zowat woest, als men niet instemt met deze toon! Spreekt men meer vanuit de objectiviteit, stelt men zijn zinnen zo op dat men de innerlijke, objectieve inhoud in het oog houdt, en niet zijn persoonlijke mening geeft, niet datgene geeft wat men het liefste heeft, dan zeggen ze dat men autoritair en aanmatigend spreekt. Natuurlijk is het de grootste aanmatiging als iemand in elke derde zin het woord ‘ik’ in de mond neemt. Maar de mensen hebben verleerd deze aanmatiging te voelen. Ze vinden het knapper als iemand altijd vanuit zichzelf spreekt, en ze vinden het hoogst onbescheiden en arrogant, als iemand probeert vanuit de objectiviteit te spreken. Ze hebben dan het duistere gevoel: hij beweert iets anders te weten dan wat zijn persoonlijke mening is. En het is vandaag de dag een grote zonde als iemand beweert iets anders te weten dan wat zijn persoonlijke mening is!

Bron: Rudolf Steiner – GA 190 – Vergangenheits- und Zukunftsimpulse im sozialen Geschehen – Dornach, 14 april 1919 (bladzijde 203-204)

Eerder geplaatst op 4 september 2015  (47 reacties)