Weten en geloven

Er zijn tegenwoordig zeer veel mensen, die gewoon naar wat ze gehoord hebben, in goed vertrouwen de antroposofie aannemen. Maar waarom doen ze dat dan? Waarom zijn er juist zulke mensen in grote aantallen, die in goed vertrouwen de antroposofie opnemen? Ziet u, onder hen zijn de meesten in een zeer bepaalde richting aangelegde religieuze naturen, en zonder dat ze eigenlijk er aanspraak op maken, de dingen meteen tot op de bodem te begrijpen, volgen ze de antroposofie, omdat ze een zekere religieuze ductus in de hele instelling (Duits: Führung), zou ik willen zeggen, van de antroposofische aangelegenheden bespeuren. Het is een soort religieus gevoel, een religieuze gestemdheid, dat vandaag de dag talrijke mensen tot de antroposofie brengt, die niet in de positie zijn de antroposofie zo te doorzien, zoals de botanicus de plantkunde doorziet; en dat wordt immers hier eigenlijk vereist. 

Men houdt er gewoonlijk niet veel rekening mee, dat met betrekking tot wat ik hier bedoel, de antroposofie toch anders is dan de andere, de uiterlijke, de meer natuurwetenschappelijke wetenschappen. De natuurwetenschappelijke wetenschap is toch feitelijk zo, dat men kan zeggen: als zij de mensen geheel in beslag neemt, dan zal ze daadwerkelijk gevaarlijk zijn voor het geloven, zij zal het geloof beïnvloeden. 

Het gaat er niet alleen om dat de wetenschap voor iemand ongemakkelijk is, maar dat men ze ervaart als iets, wat het geheim van het geloven eenvoudigweg stoort. Maar men zal in de praktische behandeling (van deze vraag) vinden dat men daar bovenuit komt, dat het om een anders geaarde wetenschap gaat, zoals het bij de antroposofie het geval is, zodat inderdaad talrijke mensen eenvoudig de wijze waarop antroposofie optreedt, als een bestendige (Duits: durchgehenden) religieuze ondersteuning beleven. Hoewel ze niet, zoals ik altijd zeg, religievormend wil optreden, wordt toch gevoeld, dat zij zich in een richting beweegt, waarin juist het religieuze gevoel ook meegaan kan. Zo zou dus eigenlijk juist dit idee, dat het weten het geloven doodt – waarvoor ik veel begrip heb -, herzien moeten worden ten opzichte van de antroposofie.

Bron: Rudolf Steiner – GA 343a – Vorträge und Kurse über christlich- religiöses Wirken II – Dornach, 28 september 1921 (bladzijde 92-93)

Eerder geplaatst op 5 mei 2015  (12 reacties)

7 gedachtes over “Weten en geloven

  1. Anoniem

    Dat de wetenschap de antroposofie zal raken of al raakt, blijkt wel uit de uitroep van Stephen Hawking (overleden in maart 2018), de grote kosmoloog en wiskundige die de kosmos tot aan de oerknal heeft doorgrond: “oh, wist ik maar waaruit dit alles ontstaan is . . . !”. Hoe meer je weet, hoe meer je je afvraagt waarom het is zoals het is! Ook de natuurwetten hebben hun oorsprong. Je kunt eigenlijk niet zonder het besef van een niet-fysieke (dus geestelijke) realiteit.
    En daar dan inzicht in krijgen – dát is antroposofie!

    1. Jazeker Bernard. En in die context zijn mijns inziens ook de volgende woorden van Rudolf Steiner over kunst, religie en wetenschap behartigenswaardig:

      Uit: De filosofie van de vrijheid, hoofdstuk 2: ‘Het existentiële verlangen naar inzicht’, bladzijde 27:

      “ […] De geschiedenis van het geestesleven is een voortdurend zoeken naar de eenheid tussen ons en de wereld. Religie, kunst en wetenschap streven alle drie dit doel na.

      De religieuze, gelovige mens zoekt in de openbaring die God hem deelachtig laat worden, de oplossing van de levensraadsels waarvoor zijn ik, ontevreden met de wereld van de verschijnselen, zich gesteld ziet.

      De kunstenaar probeert de ideeën van zijn ik in de stof te prenten, om wat in zijn binnenste leeft met de buitenwereld te verzoenen. Ook hij voelt zich ontevreden met de wereld zoals die hem verschijnt, en hij probeert het méér dat zijn ik daar bovenuit in zich bergt, in die wereld te belichamen.

      De denker zoekt naar de wetten die de verschijnselen beheersen; hij probeert met zijn denken te doordringen wat hij waarnemend ontmoet. […] ”

  2. Henk Smith

    Over de “wens’ om te kunnen geloven:
    Naar aanleiding van een beschrijving van enkele bijna-doodervaringen schrijft een predikant in een mailtje aan Pim van Lommel: ‘Bedankt dat u een vloertje onder mijn geloof hebt gelegd’.
    Men is zich er kennelijk niet van bewust dat men een uiterlijk bewijs voor het bestaan van een niet uiterlijke wereld verlangt (‘zien is geloven’).
    Steiner: ‘De naïeve mens beschouwt de voorwerpen van de uiterlijke ervaring als realiteiten. De omstandigheid dat hij deze dingen met zijn handen kan grijpen, met zijn ogen kan zien, geldt voor hem als bewijs van de realiteit. ‘Er bestaat niets wat men niet kan waarnemen,’ moet in uitgesproken zin, als eerste axioma van de naïeve mens worden beschouwd, wat in zijn omkering eveneens als waar moet worden erkend. Hij stelt zich de ziel als fijne stoffelijke materie voor, die onder bijzondere omstandigheden zelfs voor de gewone mens zichtbaar kan worden, zoals bijvoorbeeld het naïeve geloof in spoken (Steiner, 1893).
    We willen kunnen waarnemen om zekerheden te vinden.
    Dit sterke verlangen om zichtbaar te krijgen wat altijd geloofd moest worden is in feite, het verlangen van de ziel naar het werkelijke kennen, in plaats van altijd maar te moeten geloven. Steiner: ‘de ziel leeft in het kengebeuren.’
    Dat onze kerken zijn leeggelopen heeft natuurlijk als reden dat het geloven niet meer lukt. Onze zielen zijn anders geworden in de loop van de tijd. Er werd ook altijd vurig gebeden om twijfel te overwinnen, wat een raar gebed is, want twijfel overwin je niet door te bidden, maar door het kennen. Dat er in de bijbel staat dat er een tijd zal komen dat het niet meer mogelijk zal zijn om te geloven, wordt waarschijnlijk heel anders uitgelegd.
    Het geloven zal een kennen moeten worden! Steiner: ‘Uit het begrip van het kennen volgt, dat er van grenzen van het kennen niet kan worden gesproken. Het kennen is geen algemene wereldaangelegenheid, maar een kwestie die ieder mens voor zichzelf moet uitmaken. De dingen vragen niet om een verklaring, zij bestaan en werken op elkaar in volgens wetten, die door het denken kunnen worden gevonden (Steiner 1893).’
    Steiner: ‘Wij willen niet langer geloven zonder meer; wij willen weten.
    Het geloof eist erkenning van waarheden, die wij niet geheel en al doorzien. Wat wij echter niet doorzien is strijdig met het individuele in ons, dat alles vanuit zijn diepste innerlijk wil beleven. Slechts dat weten bevredigt ons, dat niet aan een uiterlijke norm is gebonden, doch in het innerlijke leven van de persoonlijkheid zijn oorsprong vindt.’ (Steiner, 1893)
    Denken als een waarnemingsorgaan.
    ‘Het kenvermogen van de mens kan, evenals het gezichtsvermogen van het oog, versterkt worden. Het zijn echter middelen van volstrekt geestelijke aard die het kenvermogen in kracht doen toenemen; het zijn innerlijke, zuiver psychische oefeningen.
    Ze bestaan uit wat wordt beschreven als meditatie en concentratie, (contemplatie). Het gewone zieleleven is aan de werktuigen van dat lichaam gebonden; het versterkte zieleleven maakt zich daarvan vrij.
    Steiner: ‘Gedurende de tijd dat de geest arbeidt met behulp van het stoffelijk lichaam kan hij als geest niet in zijn ware gedaante leven. Hij kan als het ware slechts door de sluier van het fysieke bestaan heen zijn licht doen schijnen.
    Het gedachteleven van de mens behoort namelijk in wezen tot de geestelijke wereld en in de vorm waarin het zich op aarde manifesteert, is zijn ware gedaante versluierd. Men kan het ook zo stellen dat het denkleven van de fysieke mens een schaduwbeeld, een weer-schijn is van het ware geesteswezen waartoe het behoort (Steiner, 1904).’

  3. Mede in dat verband denk ik trouwens dat ik binnenkort een nieuwe boekuitgave van Mieke Mosmuller zal aanschaffen: Over de Hiërarchieën van de Engelen – De tweede hiërarchie (Uitgeverij Occident, 2019). Een relevant tekstfragment daaruit, zie met name de vetgedrukte zinsnede:

    Uit: Over de Hiërarchieën van de Engelen – De tweede hiërarchie; Mieke Mosmuller:

    ‘ […] Het komt erop aan de moed te vinden, ook werkelijk erop te vertrouwen dat het mogelijk is, dat de kleine mens – die zich toch eigenlijk ook zo geweldig groot vindt –
    de mogelijkheid heeft in
    het reine denken één te worden met wezens van de hogere Hiërarchieën. Niet blijvend één te worden vanzelfsprekend, maar voor ogenblikken. Dat de Engel in de mens en de mens in de Engel geschapen wordt – en nogmaals, met ‘Engel’ is hier het hele koor van de hogere Hiërarchieën bedoeld, dus niet alleen de onderste trap van de derde Hiërarchie, maar werkelijk de negen koren van de hogere Hiërarchieën. […] ’

    Mieke Mosmuller stelt dat ze ervaringen heeft met de hogere hiërarchieën. Daarover schreef ik iets in de tweede alinea van mijn blog Ge-waar-worden (Cahier, 24 november 2019). Zal het boek in 2020 met belangstelling bestuderen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s