De zes basisoefeningen – 2. Wilskracht  

Evenals de ziel in de gedachtenwereld moet leren heersen, zo moet zij dat ook in het gebied van de wil. Ook hierbij is het in de fysiek-zintuigelijke wereld het leven, dat als gebieder optreedt. Dit doet de een of andere behoefte bij de mens gelden; en de wil voelt zich aangespoord tot bevrediging van deze behoefte. Bij de hogere scholing moet de mens zich er aan gewennen, zijn eigen bevelen strikt te gehoorzamen. 

Bij wie zich dit aanwent, zal het steeds minder en minder opkomen, iets zinloos te begeren. Het onbevredigende, ongestadige in het wilsleven vloeit echter voort uit het begeren van die dingen, van welker verwezenlijking men zich geen duidelijk begrip vormt. Een dergelijk onbevredigd blijven kan echter het gehele gemoedsleven in wanorde brengen, wanneer een hoger Ik uit de ziel wil voortkomen. 

Het is een goede oefening, maanden achtereen zichzelf op een bepaald moment van de dag het bevel te geven: Vandaag, ‘op die bepaalde tijd’, zult gij ‘dit’ verrichten. Men komt er dan geleidelijk toe, zichzelf de tijd van uitvoering en de soort van de te verrichten zaak zo te bevelen, dat de uitvoering heel precies mogelijk is. Zodoende verheft men zich boven het verderfelijke: ‘ik zou dit graag willen; ik wil dat’, terwijl men daarbij in het geheel niet aan de uitvoerbaarheid denkt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 13 – DIE GEHEIMWISSENSCHAFT IM UMRISS (bladzijde 331-332)

Deze vertaling is van F. Wilmar uit de vierde druk van de Nederlandstalige uitgave – bladzijde 202

Eerder geplaatst op 10 mei 2013 (4 reacties)

7 gedachtes over “De zes basisoefeningen – 2. Wilskracht  

    1. Een paar citaten uit dat boekje, Rudolf Steiner, hoofdstuk: opmerkingen over de basisoefeningen:

      1.
      Wozu ist die Schule da? Ratschläge werden gegeben, um schneller und leichter vorauszueilen, weil die Menschheit solches braucht. Es ist aber auch unvermeidlich, dass dadurch an den Egoismus des Menschen appelliert wird. Dazu sind aber die nebenübungen da, um dasjenige zu bekämpfen, was man zu seiner Egoität hinzufügt. Unterlässt man diese, so werden unweigerlich Ehrgeiz und Eitelkeit beim Schüler auftreten. Die soll man bei sich selbst sehen.
      (Kristiania-Oslo, 9. Juni 1912)

      2.
      Die Nebenübungen bilden die für den physischen Plan an uns notwendigen Eigenschaften aus, als da sind: kontrolliertes Denken, selbstgewählte Handlungen, Gelassenheit USW. Allmählich werden wir so ein Fach in unserem Herzen, in unserer Seele haben, in dem wir unser Heiligstes bewahren, in dem wir Esoteriker sind, während wir als Menschen draußen im Leben stehen. Kampf mit uns selbst und mit der Welt ist dabei selbstverständlich; wir müssen ein Kämpfer werden, wenn wir Esoteriker werden.
      (Mannheim, 10. März 1911)

      3.

      Diese übungen brauchen nicht gerade je einen Monat gemacht zu werden. Es musste eben überhaupt eine Zeit angegeben werden. Es kommt vor allem darauf an, dass man die übungen gerade in dieser Reihenfolge macht. Wer die zweite übung vor der ersten macht, der hat gar keinen nutzen davon. Denn gerade auf die Reihenfolge kommt es an. Manche meinen sogar, mit der sechsten übung, mit der Harmonisierung, anfangen zu müssen. Aber harmonisiert sich etwas, wenn nichts da ist? Wer die übungen nicht in der rechten Reihenfolge machen will, dem nützen sie gar nichts. Wie wenn einer über einen Steg sechs Schritte machen muss und den sechsten Schritt zuerst machen will, so unsinnig ist es, mit der sechsten übung beginnen zu wollen.
      (München, 6. Juni 1907)

      1. En tenslotte nog één uit het desbetreffende hoofdstuk, Rudolf Steiner:

        4.
        Noch einmal muss zweierlei eingeschärft werden:
        Erstens, dass die besprochenen sechs übungen den schädlichen Einfluss, den andere okkulte übungen haben können, paralysieren, so dass nur das Günstige vorhanden bleibt. Und zweitens, dass sie den positiven Erfolg der Meditations-und Konzentrationsarbeit eigentlich allein sichern. Selbst die bloße noch so gewissenhafte Erfüllung landläufiger Moral genügt für den Esoteriker noch nicht, denn diese Moral kann sehr egoistisch sein, wenn sich der Mensch sagt: Ich will gut sein, damit ich für gut befunden werde. – Der Esoteriker tut das Gute nicht, weil er für gut befunden werden soll, sondern weil er nach und nach erkennt, dass das Gute allein die Evolution vorwärts bringt, das Böse dagegen und das Unkluge und das Hässliche dieser Evolution Hindernisse in den Weg legen.
        (Allgemeine Anforderungen, Oktober 1906)

      2. Interessante citaten zijn dit, John. Wel enigszins twijfelachtig is wat hij hier zegt: ‘als men de oefeningen niet in de juiste volgorde doet hebben ze geen zin.’ Stel iemand heeft nooit van deze oefeningen gehoord maar hij leest een boek bijvoorbeeld over positief denken. En hij zou zich erop toeleggen om positief te zijn. Zou dan dan helemaal geen zin hebben?

      3. Een positieve basishouding in algemeen zin is zeker zinvol, Ridzerd. Alleen heeft Steiner het hier over effectiviteit van specifieke oefeningen, de basisoefeningen, ten behoeve van behoud en bekrachtiging van positieve elementen van spirituele ontwikkeling. (Zie citaat 4.)

      4. Begrijp het, John. Het is overigens interessant dat de andere oefeningen – ik neem aan dat hij hier meditatie oefeningen bedoelt – schadelijk kunnen werken.

  1. Jazeker Ridzerd, dat is zeker zo. Is dan ook een bekend verschijnsel in onder andere antroposofische kringen. En eigenlijk gaat het hier, dat denk ik althans, om een operationeel maken of bevorderen van een niet ik, maar christus in mij kracht(werking).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s