Denken/Waarheid/Zelfopvoedingsmiddel

Men moet van het denken in het geheel niet verwachten dat het kennis van de waarheid kan geven, men kan van het denken vooreerst alleen verwachten dat het je opvoedt. Het is uiterst belangrijk dat we deze stemming in onszelf ontwikkelen, dat ons denken ons opvoedt. […]

Zo lang men de mening heeft dat men door denken of verwerken van begrippen of, laten we zeggen, denkend verwerken van ervaringen, tot de waarheid, dat wil zeggen, tot overeenstemming met een objectieve realiteit zal komen, zo lang als men deze mening heeft, zo lang is het in feite een heel slechte zaak als wordt aangetoond hoe je het ene kunt bewijzen en het exacte tegendeel ook kan bewijzen.

Want hoe kan men dan door de bewijzen tot de werkelijkheid komen! Als iemand echter zich ertoe heeft ontwikkeld dat denken helemaal niets beslist over de werkelijkheid, vooral waar het de beslissende dingen betreft, als iemand zich er krachtig toe heeft opgevoed om het denken alleen te zien als een middel om wijzer te worden, als een  middel om zijn zelfopvoeding naar wijsheid in de hand te nemen, dan stoort het niet dat de ene keer het ene en dan evengoed het andere kan worden bewezen.

Want dan merkt men heel snel dat, juist doordat men wat betreft het verwerken van begrippen eigenlijk de werkelijkheid helemaal niet kan bereiken, men op de meest vrije manier de begrippen en ideeën verwerken kan en zichzelf opvoeden kan. Als men door de werkelijkheid voortdurend gecorrigeerd zou moeten worden, dan zou men bij de verwerking van de begrippen geen vrij middel tot zelfopvoeding hebben. Bedenkt u dat wel, dat we alleen door het verwerken van onze begrippen een werkzaam, vrij zelfopvoedingsmiddel hebben, doordat we nooit door de werkelijkheid worden gestoord in de vrije verwerking van begrippen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 134 – Die Welt der Sinne und die Welt des Geistes – Hannover, 28 december 1911 (bladzijde 28-30)

Voor de ware practicus komt het er niet op aan wat iemand denkt, maar wat voor uitwerkingen zijn gedachten hebben

Het komt niet op de theorieën aan, maar op de denkgewoonten. Voor de ware practicus komt het er niet op aan wat iemand denkt, maar wat voor uitwerkingen zijn gedachten hebben. Daar gaat het om. Of iemand idealist is of niet, dat maakt niet uit, maar voor het leven is het belangrijk of iemand vruchtbare gedachten heeft, die zo zijn dat ze het leven doen gedijen en vooruitgaan. Juist dat mag niet uit het oog worden verloren dat antroposofie ook in deze richting niets van doen heeft met een dogma, met een of ander geloof.

Al kan iemand nog zo veel de meest spirituele theorieën propageren, daar komt het niet op aan, maar of deze gedachten vruchtbaar zijn, als hij ze in het leven gebruikt. Als dus iemand zegt dat hij geen materialist is, dat hij in de levenskracht gelooft, ja zelfs aan spirituele krachten, maar in voedingskwesties altijd zo te werk gaat alsof de mens een groot destilleervat zou zijn, dan kan zijn wereldbeschouwing niet vruchtbaar worden. Alleen dan heeft de geesteswetenschap over deze concrete vragen iets te zeggen, wanneer ze tot in details in staat is licht te werpen en dat kan zij zowel met betrekking tot voedingsvragen als met betrekking tot gezondheidsvraagstukken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 57 – Wo und wie findet man den Geist? – Berlijn, 17 december 1908 (bladzijde 172-173)

Eerder geplaatst op 16 juli 2014

Bijgeloof/Echte kennis

Wat ons behoeden kan voor mogelijke fouten en dwalingen die tot bijgeloof worden, dat kan enkel en alleen het streven naar een ware kennis zijn, naar een inzicht in de dingen. Iemand zal altijd op een of andere wijze in bijgeloof vervallen, als hij niet werkelijk in de diepte van de dingen wil doordringen. Het is nu eenmaal zo dat dit verlangen naar een zeker kwantum bijgeloof beslist macht uitoefent. En daarmee spreek ik de basiswet voor het bijgeloof uit, zoals ik het hiervoor al aangeduid heb, namelijk: Zolang de mens alleen in de waarneming van de fysieke omgeving blijft, zolang hij niet wil doordringen in spirituele kennis, tot werkelijk inzicht in de geestelijke oergronden van de dingen, zolang leeft in hem een bepaalde behoefte aan bijgeloof.

Bron: Rudolf Steiner – GA 57 – Wo und wie findet man den Geist? – Berlijn, 10 december 1908 (bladzijde 162)

Eerder geplaatst op 15 juli 2014 

Materialisme/Onfeilbaarheidwaan/Intolerantie

Voor het opzoeken van wat in de geestelijke wereld is, behoort helderziendheid, voor het begrijpen van de hogere wijsheden is enkel gezond verstand en logica nodig. Weliswaar zijn tegenwoordig velen van een min of meer materialistisch denken of van de onfeilbaarheidswaan bezeten, die voortkomt uit de positivistische wetenschap. (Positivisme: De term duidt op een filosofie die zich alleen op waarneembare feiten baseert en godsdienstige of metafysische verklaringen van de hand wijst – Wikipedia). Dit is de reinste fantasterij. Als de mensen eens wisten dat ze in feite alleen in inbeeldingen leven, dat ze niet weten wat werkelijk en wat niet werkelijk is! De onfeilbaarheid van de Paus willen ze weliswaar niet erkennen, zichzelf houden ze echter voor onfeilbaar. Degenen die op het standpunt van de wetenschap staan, zijn tegenwoordig het meest intolerant. De geesteswetenschapper beschouwt hij als een dwaas, en zichzelf? Nu ja, als een onfeilbaar mens!

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn, 28 november 1907 (bladzijde 119)

Eerder geplaatst op 13 juli 2014

Wereldvreemd en ver van de werkelijkheid

Hoewel het hier al vaker genoemd is van de een of andere kant, mag er misschien toch nog wel eens op worden gewezen dat het het onredelijkste en tegelijk  onmogelijkste verwijt is dat men de geesteswetenschap en haar arbeid kan maken, dat zij de mensen op een of andere manier wereldvreemd en ver van de werkelijkheid zou maken of ze tot ascese zou verleiden. Steeds weer moet worden benadrukt dat aan onze zintuiglijke wereld, onze wereld van het aardse leven een geestelijke wereld met haar wezens en krachten ten grondslag ligt, die voortdurend in onze zintuiglijke wereld inwerkt en dat daarom diegene wereldvreemd en ver van de werkelijkheid genoemd moet worden, die zich niet om de ware en werkelijke krachten van het bestaan bekommert en zich enkel tot de uiterlijke wereld, op wat de zintuigen zeggen en wat ze genieten kunnen, beperken wil.

Bron: Rudolf Steiner – GA 56 – Die Erkenntnis der Seele und des Geistes – Berlijn, 12 december 1907 (bladzijde 132)

Eerder geplaatst op 12 juli 2014