De missie van het kwaad

In de kracht die moet worden aangewend om het kwaad te overwinnen, ontwikkelt zich de kracht tot de hoogste volmaaktheid, deugdzaamheid (Duits: Heiligkeit). De akker moet bemest worden met de weerzinwekkende meststof, de mest moet eerst zogezegd als ferment in de akker groeien. Evenzo heeft de mensheid het ferment, de kiemstof nodig van de slechtheid en het kwaad om de hoogste staat van volmaaktheid te bereiken. Dat is de missie van het kwaad. De mens wordt sterk als hij zijn spieren moet inspannen; evenzo moet het goede, als het tot de hoogste volmaaktheid moet stijgen, eerst het hem tegenovergestelde kwaad overwinnen. Het kwaad heeft de taak de mensheid hoger te brengen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart, 29 augustus 1906 (bladzijde 78)

Eerder geplaatst op 24 mei 2014

Wat is het geweten?

Wat is het geweten? Het resultaat van ervaringen door de verschillende aardelevens. Uiteindelijk is alle weten, van het hoogste tot het laagste, het resultaat van ervaringen; het is op de weg van ondervindingen en ervaringen ontstaan.

Bron: Rudolf Steiner – GA 95 – Vor dem Tore der Theosophie – Stuttgart 29 augustus 1906 (bladzijde 74)

Eerder geplaatst op 20 mei 2014

Kort fragment uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner (5) – Over de beschuldiging dat Steiner de Theosofische Vereniging gebruikte als springplank voor zijn geesteswetenschap

Onder de vele beschuldigingen die men tegen mij heeft gericht in verband met mijn werken in de Theosofische Vereniging – ook van de kant van de vereniging zelf – wordt ook deze gehanteerd, dat ik in zekere zin deze vereniging, die in de wereld iets betekende, als springplank had gebruikt om de wegen te effenen voor mijn eigen geesteswetenschap.

Daarvan is in de verste verte geen sprake. Toen ik de uitnodiging van de vereniging aannam, was dit de enig ernstig te nemen instelling waarin werkelijk geestelijk leven heerste. En als de gezindheid, de houding en het werken van de vereniging dezelfde waren gebleven, dan zou het uittreden van mij en mijn vrienden nooit nodig zijn geweest. Dan zou er alleen maar binnen de Theosofische Vereniging de speciale afdeling ‘Antroposofische Vereniging’ officieel zijn opgericht.

Maar van 1906 af traden er in de heosofische Vereniging toestanden op die op schrikbarende wijze het verval toonden.

Hoewel ook vroeger al, in de tijd van H.P. Blavatsky, door de buitenwereld beweerd werd dat dergelijke toestanden bestonden, moet er toch gezegd worden dat de vereniging in het begin van de eeuw door het serieuze werk goed had gemaakt wat er aan fouten was begaan. Dit werd ten onrechte in twijfel getrokken.

Maar sinds 1906 kwamen er in de vereniging – terwijl ik niet de minste invloed had op de leiding – activiteiten voor die herinnerden aan de uitwassen van het spiritisme, en die het noodzakelijk maakten dat ik er steeds meer de nadruk op legde dat dát deel van de vereniging dat onder mijn leiding stond met deze dingen absoluut niets te maken had. Deze activiteiten bereikten hun hoogtepunt toen van een jeugdige hindoe (Krishnamurt r.v.d.) beweerd werd dat hij de persoonlijkheid was waarin Jezus Christus in een nieuw aardeleven zou optreden. Voor de verbreiding van deze absurditeit werd binnen de theosofische beweging een apart genootschap opgericht onder de naam Ster van het Oosten. Voor mij en mijn vrienden was het volslagen onmogelijk om de leden van deze Ster van het Oosten als lid in de Duitse sectie op te nemen, hetgeen zij wilden, en wat vooral de bedoeling was van Annie Besant, de presidente van het theosofische genootschap. En omdat wij dat niet konden doen, stootte men ons in 1913 uit de Theosofische Vereniging. Wij werden genoodzaakt om de Antroposofische Vereniging als een zelfstandig orgaan te stichten.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 287-288 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling: W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28Mein Lebensgang (bladzijde 413-415)

Eerder geplaatst op 17 maart 2012

Korte fragmenten uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner (4) – Als kind speelde Steiner niet

Een groot deel van mijn jeugd is met deze taak vergroeid (van 1884 tot 1890 was Steiner werkzaam in een koopmansgezin te Wenen als opvoeder en leraar van de vier zonen). Vele jaren ging ik ’s zomers met de familie naar de Attersee in Salzkammergut, waardoor ik de heerlijke natuur van de Oostenrijkse Alpen leerde kennen. Langzamerhand kon ik de privélessen, die ik eerst nog had aangehouden bij mijn pedagogische taak, aan anderen overdragen, waardoor ik weer tijd kreeg voor mijn eigen studie.

Voor ik bij deze familie kwam had ik in mijn leven weinig gelegenheid gehad om deel te nemen aan kinderspelen. Mijn ‘tijd van spelen’ kwam voor mij nu pas na mijn twintigste jaar. Maar ik moest ook leren hóe men speelt, daar ik zelf spelleider moest zijn. Ik vond dit heerlijk en ik meen zelfs dat ik tenslotte in mijn leven niet minder heb gespeeld dan andere mensen. Alleen heb ik datgene wat men anders vóór zijn tiende jaar in dit opzicht doet, tussen mijn drie- en achtentwintigste ingehaald.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 72 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling: W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28 Mein Lebensgang (bladzijde 107-108)

Eerder geplaatst op 19 mei 2014

Korte fragmenten uit Mijn Levensweg van Rudolf Steiner (3) – Naast de Realschule doet Steiner op eigen houtje het gymnasium er bij

Voor zijn lessen (van de leraar Duitse taal en literatuur in de drie hoogste klassen van de middelbare school)  moest ik veel doen. Zijn vak omvatte in de vijfde klas de Griekse en Latijnse gedichten, waarvan fragmenten in het Duits behandeld werden. Nu pas begon ik soms erg spijt te krijgen dat mijn vader me niet op het gymnasium had gedaan in plaats van op de Realschule. Want ik voelde hoe weinig mij in de vertalingen het specifieke van de Griekse en Latijnse kunst aansprak. Ik kocht daarom Griekse en Latijnse leerboeken en gaf mezelf stilletjes een gymnasiale opleiding. Dat nam veel tijd in beslag, maar het werd ook de reden dat ik later, weliswaar op een ongewone manier, toch nog helemaal het gymnasium doorliep. Toen ik namelijk op de hogeschool in Wenen was, moest ik pas echt heel veel bijlessen geven. Weldra kreeg ik een gymnasiast als leerling. De omstandigheden, waarover ik nog zal spreken, brachten met zich mee dat ik deze leerling bijna het hele gymnasium door met privélessen moest bijstaan. Ik gaf hem ook les in Grieks en Latijn, zodat ik daardoor ook alle details van het gymnasiumonderwijs leerde kennen.

Bron: Nederlandstalige uitgave van Mijn Levensweg – bladzijde 32-33 (Uitgave 1981, Vrij Geestesleven) Vertaling: W.A.C. Labberté

Duitstalig: GA 28Mein Lebensgang (bladzijde 47-48)

Eerder geplaatst op 13 maart 2016