Levenstableau, slaaptoestand, kamaloka

Als de mens door de poort van de dood gaat, beleeft hij gedurende korte tijd een terugblik op zijn gehele aardeleven. Dan volgt de tijd van een soort slaaptoestand. En de mens ontwaakt dan na enige maanden of jaren in het kamaloka. Het ontwaken in het kamalokaleven bestaat eruit dat we met drie maal zo hoge snelheid het aardeleven terugbeleven. En in het begin van het kamalokaleven verschijnt er voor ieder mens een zeer belangrijke gebeurtenis. Een spirituele individualiteit toont ons alles wat we zelfzuchtig gedaan hebben in het laatste leven, als een soort register van alles dat we gezondigd hebben. Hoe duidelijker u zich deze gebeurtenis voorstelt, hoe juister u het zich voorstelt: alsof werkelijk aan het begin van het kamalokaleven zo’n gestalte met de lijst van ons aardse leven voor ons staat. De meeste mensen die tot de Europese vorming behoren, ontwaren in deze gestalte Mozes.

Bron: Rudolf Steiner – GA 130 – Das esoterische Christentum und die geistige Führung der Menschheit – Milaan, 21 september 1911 (bladzijde 46-47)

Eerder geplaatst op 11 maart 2016 

Prediken van mensenliefde

Wanneer men algemene mensenliefde al te vaak als grondbeginsel predikt, wordt het bedenkelijk. Let wel, ik zeg niet zo zeer als grondbeginsel maar als te vaak uitgesproken grondbeginsel. Bepaalde mensen leggen het liefst de nadruk op de goede eigenschappen, die zij zelf het minst bezitten. Wij kunnen vaak bemerken, dat grondbeginselen dáár het meest verkondigd worden, waar zij het sterkst ontbreken.

Bron: Rudolf Steiner – GA 145 – Welche Bedeutung hat die okkulte Entwicklung des Menschen für seine Hüllen (physischen Leib, Ätherleib, Astralleib) und sein Selbst? – Den Haag, 26 maart 1913 (bladzijde 119)

Vertaling: H. van Boetzelaer-Mazel, Ir. H. de Brey, A. van der Laan-Schepers

De serie voordrachten waaruit deze tekst komt is in 1980 als boek uitgegeven met als titel Innerlijke ontwikkeling door antroposofie bij uitgeverij Vrij Geestesleven. Later is het boek bij uitgeverij Pentagon verschenen met als titel Spirituele ontwikkeling.

Eerder geplaatst op 5 maart 2016

Geen opvoedingsroutine, maar daadwerkelijke opvoedingspraktijk

De leerkracht, de opvoeder mag niet eerst iets theoretisch leren en dan tegen zichzelf zeggen: ‘Wat ik theoretisch geleerd heb, pas ik nu zus of zo toe op het kind. Dan neemt hij afstand tot het kind, hij komt het kind niet nader. De leerkracht zou wat hij over de mens weet, als een soort hoger instinct moeten krijgen, zodat hij op een bepaalde manier instinctief tegenover iedere uiting van het individuele kinderleven staat.

Daardoor is dus de antroposofische menskunde anders dan de huidige. De menskunde van nu leidt hoogstens tot opvoedingsroutine, maar niet tot een echte opvoedingsstemming en tot daadwerkelijke opvoedingspraktijk. Want aan een echte opvoedingspraktijk moet zo’n menskunde ten grondslag liggen die wat het kind betreft, ieder ogenblik instinctief wordt, zodat uit alles wat vanuit het kind naar je toe komt, je in ieder individueel geval weet, wat je moet doen.

Wanneer ik een vergelijking mag maken, zou ik willen zeggen: het is toch zo dat we allerlei theorieën hebben over eten en drinken, maar over het algemeen houden we ons in het leven niet aan wat er theoretisch bedacht kan worden, wanneer je moet eten, wanneer je moet drinken. Je drinkt als je dorst hebt – dat komt vanuit de hele constitutie van je organisme – je eet als je honger hebt. Dat dat ingebed is in een zeker levensritme, daar zijn goede redenen voor, maar de mens eet en drinkt wanneer hij honger of dorst heeft; dat brengt het leven zelf mee.

Nu moet een menskunde die aan een echte opvoedingspraktijk ten grondslag ligt, in de mens, ten aanzien van een kind iets laten ontstaan, zoals de verhouding honger en eten ontstaat. Het moet zo natuurlijk zijn, als de manier waarop ik door honger een bepaalde verhouding tot eten krijg. Zo moet het heel natuurlijk worden door een echte menskunde die niet alleen doordringt tot vlees en bloed, maar ook een die doordringt tot de ziel en de geest, zodat ik, wanneer ik het kind voor me heb, sterk het verlangen voel: dit en dat moet je nu doen!

Alleen wanneer op deze manier menskunde innerlijk zo rijkelijk aanwezig is dat die instinctief kan worden, kan ze opvoedingspraktijk worden; niet als je na experimenten een theorie vormt over zoiets als hoe het staat met de geheugenprestaties, aandacht enz. Daardoor leg je pas echt met je gedachten intellectualistisch een link tussen theorie en praktijk. Dat kan helemaal niet, daardoor maak je dat alle methodiek, elke opvoedingspraktijk van buitenaf komt. Wat we allereerst als menskunde willen ontwikkelen, is het wezenlijke begrijpen van een kind in zijn levensuitingen.

Bron: Rudolf Steiner – GA 306 – Die pädagogische Praxis – Dornach, 16 april 1923 (bladzijde 32-33)

Vertaling: Pieter Witvliet. Voor zijn vertaling van de gehele voordracht zie: VRIJESCHOOL – PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE ACHTERGRONDEN

Duistere wetenschap

Tegenwoordig noemt men vaak wetenschap niet datgene wat de wereld verklaart – “erklären” kommt von der Klarheit des Lichtes -, tegenwoordig noemt men vaak wetenschap wat niet verheldert, maar wat verduistert en schemerig maakt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 219 – Das Verhältnis der Sternenwelt zum Menschen und des Menschen zur Sternenwelt –  Dornach, 24 december 1922 (bladzijde 146)

Eerder geplaatst op 23 december 2013

Een universeel geneesmiddel voor de sociale wanorde bestaat er niet

Sociale problemen zijn niet iets wat in deze tijd door een paar mensen of door parlementen opgelost kan worden en dan opgelost zal zijn. Zij zijn een bestanddeel van de gehele moderne beschaving en zullen dat, nu ze eenmaal ontstaan zijn, blijven. Zij zullen voor ieder moment in de historische ontwikkeling opnieuw opgelost moeten worden. Want het mensenleven is in deze tijd in een toestand gekomen die uit de sociale organisatie steeds weer het antisociale laat ontstaan. Dit moet steeds opnieuw overwonnen worden. Zoals bij een organisme enige tijd na de verzadiging steeds weer de honger verschijnt, zo verschijnt bij een sociale organisatie steeds weer uit een ordening van de sociale omstandigheden de wanorde. Een universeel geneesmiddel voor de ordening van de sociale toestanden is er evenmin als een voedingsmiddel dat voor alle tijden verzadigt.

Bron: Rudolf Steiner – GA 023 – Die Kernpunkte der sozialen Frage (bladzijde 14)

Eerder geplaatst op 25 februari 2016